‘Zingen is: de lekkerste fles uit de kelder halen’

De bijna 70-jarige bariton John Bröcheler treedt op bij het Vocallis Festival in Vaals.

Als John Bröcheler spreekt, is de zanger nooit ver weg. De vele mogelijkheden van de stem worden gretig benut. Woorden krijgen ondersteuning van bijna theatrale gebaren.

Zijn vak is zijn passie. Toch stopte hij een paar jaar geleden met de grote uitvoeringen. De bariton Bröcheler wordt volgend jaar zeventig. „Ik kan de spanning niet meer aan. De zenuwen zijn altijd gebleven.” Kleinschaliger optredens geeft hij nog wel af en toe, zoals morgenavond bij de opening van Vocallis, een festival in zijn geboorteplaats Vaals. Bröcheler is vanaf het begin in 2012 betrokken bij het Vocallis Festival, dat veel ruimte biedt aan jong talent. Het overdragen van kennis voelt hij als „een morele plicht”. „Toen ik begon werd ik gebrandmerkt als een geboren liederenzanger, maar ik heb me veel breder kunnen ontwikkelen.”

Bröcheler zong onder meer opera’s naast Joan Sutherland en vierde triomfen als Wotan in Wagners Ring des Nibelungen onder regie van Pierre Audi. „Het meeste heb ik geleerd van ervaren rotten in het vak, die ik vaak in pauzes van repetities aansprak.”

Bröcheler verbaast zich soms over het niveau van net afgestudeerde studenten van het conservatorium – wat hij smalend „het schooltje” noemt. „Mannen van bijna twee meter die zich nog verder uitrekken om een hoge noot te halen. Alsof dat zo lukt. Je moet juist je lekkerste fles uit je eigen kelder halen. En al dat gepraat over ademsteun...”

„ Je moet aarden op een bühne. Verder is zingen eigenlijk niet meer dan blazen. Als ik jonge zangers hier in mijn werkruimte thuis heb, wijs ik door het raam naar de kerk van Vijlen, een paar heuvels verderop. ‘Breng het daar naartoe!’, zeg ik dan. Gaan ze opeens veel beter zingen.”

Voor het concert in Vaals werkt Bröcheler morgen samen met het mannenkoor RMK 1921 uit Brunssum en de vrouwen van het Vocaal Ensemble Kerkrade, representanten van de rijke zang- en muziekcultuur in het Zuid-Limburgse. Bröcheler komt zelf uit een familie van zangers. „Als kind genoot ik op verjaardagen aan de keukentafel. Daar klonk twee-, drie- of vierstemmig gezang, al naar gelang de ooms en tantes die aanwezig waren.”

Op zondagen mocht de kleine John in de Pauluskerk mee het oksaal op als zijn vader met het kerkkoor zong. „Met mijn handen om de spijlen geklemd zat ik dan het gebouw in te kijken. Als achter mij die zeventig kerels begonnen, voelde ik de trillingen in het hout. Prachtig!”

Bröcheler roemt de muzikale verscheidenheid in het gebied. „Per dorp verandert de klankkleur onder invloed van de dialecten. Mooi.”