Opinie

We stonden plots dicht bij een lijk

Rit over het Bodenmeer is een toneelstuk van Peter Handke, en de naam van een psychologisch fenomeen: schrik achteraf, over iets gevaarlijks wat je argeloos gedaan hebt. Handke baseerde zich op een negentiende-eeuws gedicht van Gustav Schwab, Der Reiter und der Bodensee: een ruiter, in haast, laat zijn paard draven over een besneeuwde vlakte. Eenmaal in een dorpje aangekomen wordt hem verteld dat de vlakte in werkelijkheid het bevroren Bodenmeer was – van die tocht is nog nooit iemand levend teruggekeerd. De ruiter sterft alsnog van schrik. De dag van de moord op Theo van Gogh was voor mij zo’n rit over het Bodenmeer.

Ik had die ochtend al gemerkt dat het in mijn buurt wemelde van politieauto’s en sirenes, toen een collega van de krant belde: er ging het gerucht dat vlak bij mijn huis iemand was vermoord, misschien Theo van Gogh. Of ik poolshoogte wilde nemen. De eerste agent die ik aansprak bij de toegang van het Oosterpark wist niet wat er gebeurd was. Verderop moest ik zijn, in de Linnaeusstraat, die door de politie al was afgesloten. De Tweede Oosterparkstraat was echter nog open. Samen met mijn buurman, ook journalist, stonden we plots dicht bij een lijk onder een laken, met een rare bult in het midden.

Als journalist ben je er op verdacht getuige te zijn van historische gebeurtenissen. Sterker nog: dat is het wezen van verslaggeverij. Toch verwacht je niet dat zo’n evenement erg dichtbij zal komen. Ik kende Theo van Gogh.

Nog maar kort geleden had hij mij benaderd om een miniem rolletje te spelen in zijn film 0605, over de moord op Fortuyn. Ik zou dan als journalist van een establishment-krant die het nieuws van de moord op Fortuyn vernam, zeggen: „Mooi jongens, daar zijn we van af.” Dat was misschien niet onaardig getypecast van Theo – ik was geen bewonderaar van Fortuyn. Maar dit ging wel erg ver, en ik meende ook het mijn toenmalige hoofdredacteur niet te kunnen aandoen, die zo zijn eigen problemen had met de nasleep van de moord op Fortuyn. Tot mijn verrassing had Theo voor mijn weigering alle begrip: we moesten spoedig eens een biertje drinken.

Niemand in de Tweede Oosterparkstraat wist wie het lijk onder het laken was – de meisjes van de bakker niet, de mensen die uit hun raam hingen en de aanwezige politieagenten evenmin. Dus wat doet de nijvere verslaggever? Die herinnert zich dat hij het 06-nummer van Theo in zijn telefoontje heeft staan. Even bellen om althans deze mogelijkheid vast uit te sluiten. Het nummer gaf een vreemd signaal af – overbelast, vermoedelijk.

Pas ’s avonds, toen ik met duizenden andere Amsterdammers richting Dam fietste, om te laten weten dat we dit niet wilden, drong het door: de morbide ervaring wanneer de telefoon op het lijk wel overgegaan zou zijn. Ik schrok alsnog. Maar enfin, ik ben niet gestorven natuurlijk. Hij wel.