Trots en inschikkelijk bij IOC, rebellerend bij NOC

Het IOC was Anton Geesinks thuis. Bij NOC*NSF voelde hij zich vaak ongewenst. Mappen in zijn archief puilen uit met correspondentie over ruzies.

Tien jaar na zijn entree in het IOC bood NOC*NSF Anton Geesink een receptie aan. Zijn vijand Wouter Huibregtsen overhandigde hem een cadeau.
Tien jaar na zijn entree in het IOC bood NOC*NSF Anton Geesink een receptie aan. Zijn vijand Wouter Huibregtsen overhandigde hem een cadeau. Foto ANP

Anton Geesink was een trots lid van het Internationaal Olympisch Comité. Maar was hij ook een gelukkig IOC-lid? Na een duik in zijn archieven ben je geneigd te denken van niet. Wat heeft die man een spoor van conflicten achtergelaten.

Geesink was een atypisch mens, een atypische judoka en dus een atypische sportbestuurder. Hij viel op door zijn lengte, zijn sportprestaties en zijn eigenzinnigheid. Geesink was bovenal een selfmade man, die zich niet de wet liet voorschrijven. De olympisch kampioen van 1964 zei wat hij moest zeggen en deed wat hij moest doen. Een non-conformist die niet paste in polderende bestuurskringen en opstandig reageerde op gluiperigheden binnen die biotoop.

Du moment dat Geesink in 1987 door de toenmalige voorzitter Juan Antonio Samaranch het IOC was binnengeloodst ging het mis. In Nederland welteverstaan, want in olympische kringen had Geesink status en was hij volledig op zijn gemak. Geesink verwierf nimmer een bestuurlijke positie binnen het IOC. Hij werd gerespecteerd om wie hij was en wat hij deed, maar raakte nooit besmeurd met het vuil van de macht.

Hoe anders lagen die verhoudingen in Nederland, waar Geesink als bestuurslid van eerst het Nederlands Olympisch Comité en na de fusie in 1993 van sportkoepel NOC*NSF voortdurend conflictueus opereerde. Zijn persoonlijk archief, dat de familie heeft overgedragen aan Het Utrechts Archief, en na een rubriceerperiode van anderhalf jaar onlangs werd geopenbaard, is ervan doordrenkt. Mappen vol briefwisselingen over ruzies met vooral voorzitters van NOC*NSF.

Geesinks diametrale houding van inschikkelijk IOC-lid en rebellerend bestuurslid van NOC*NSF komt voort uit zijn bemoeienis met Nederland. Op basis van het Olympisch Handvest zijn de 70 permanente IOC-leden de olympische waakhond van hun land. Geesink vertegenwoordigde niet Nederland, maar moest erop toezien dat NOC*NSF zich aan de regels van het IOC hield en de olympische gedachte in Nederland verspreidde. En die taak nam de voormalige judokampioen uiterst serieus, mede om zijn positie binnen het IOC te legitimeren.

Als permanent IOC-lid was Geesink qualitate qua bestuurslid van NOC*NSF. Met een afwijkende status, want hij was niet door de leden gekozen en had een onbeperkte zittingstermijn. Geesink hoefde alleen verantwoording aan het IOC af te leggen en kon niet door de sportbonden worden weggestemd. Met andere woorden: hij kon redelijk autonoom opereren. Geesink had het recht van een dissenting opion – en daar maakt hij dankbaar gebruik van. Hij zag er ook altijd op toe, dat zijn alternatieve standpunten genotuleerd werden.

Krijg zo’n halsstarrige, rechtlijnige en vrije man maar eens in het bestuurlijke gareel. Dat vereist geduld, tact en inlevingsvermogen, eigenschappen die niet alle NOC*NSF-voorzitters bezaten. Met name de dossiers ‘Wouter Huibregtsen’ en ‘Hans Blankert’ in Geesinks archief puilen uit van de correspondentie: talrijke boze brieven en notulen van besprekingen om tot een zakelijke relatie te komen.

Tot vrede is het nooit gekomen. Huibregtsen struikelde in 1998 over de Judas-affaire met de toenmalige kroonprins Willem-Alexander en kreeg van Geesink een trap na toen die zijn vertrek becommentarieerde met de opmerking „dat Huibregtsen niets voor de Nederlandse sport had betekend”.

Met Blankert eindigde Geesink in de rechtszaal. Omdat hij de reeks beledigingen beu was. Als het meest grievend had de oud-judoka diens kwalificatie als A.G. te U. ervaren. Tijdens die zaak bleek hoe diep de frustraties bij Geesink zaten en hoe emotioneel hij was – „ik heb onder Blankerts opmerkingen te lijden gehad, en mijn vrouw en mijn kinderen ook.”

De opvolgers van Huibregtsen en Blankert hadden hun lesje geleerd en zorgden voor een werkbare verhouding met Geesink, ook al hadden achtereenvolgens Joop van der Reijden, Erica Terpstra en André Bolhuis te stellen met zijn solisme. Maar zelfs de vredelievende Terpstra, wier brief aanhef altijd ‘Lieve Anton’ luidde, moest twee conflicten uitpraten. Geesink was boos dat zij buiten hem om had meegewerkt aan toekenning van een Olympic Order aan Blankert en naderhand goed had gevonden dat een deel van diens proceskosten voor rekening van NOC*NSF kwamen.

Gelukkig voor Geesink was er altijd het IOC, zijn thuis. Daar was hij onder vrienden, voelde hij waardering en vond hij tegenwicht aan de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Maar of hem dat gelukkig heeft gemaakt?