Toneel-Theo van Gogh blijft bordkarton

Laten we hem even puur als personage beschouwen. Dan zien een grofgebekte, slonzige, boze man. Dwangmatig graait hij in zijn kruis, of maakt neukbewegingen. Hij masturbeert, blote kont naar het publiek, bij tv-beelden van Lous Haasdijk. Alleen thuis, fles binnen handbereik, stort hij via de telefoon zijn woede uit over de wereld. Behalve als zijn ‘mamaatje’ belt, dan hengelt hij klaaglijk naar haar aandacht. Oedipuscomplex, uiteraard.

Zo’n man, bijna twee uur solo op toneel, werkt dat? Natuurlijk niet. Zijn tekst, geschreven door Roeland Hazendonk, bestaat vrijwel uitsluitend uit beschimping en gesar. Soms virtuoos verwoord, in een pesterig-eloquent kwajongensidioom, maar dat is te weinig voor een interessant personage. De toneelversie van Theo van Gogh blijft van bordkarton. Het lukt vertolker Porgy Franssen niet om gaten te slaan in de polemische columnistentaal. Geen moment zien we een geloofwaardig, fascinerend mens.

Het helpt niet dat Franssen Van Gogh vrijwel uitsluitend defensief speelt: kin naar achter, wenkbrauwen opgetrokken, hoge, verongelijkte uithalen in zijn stem. Of als klein jongetje; een volwassen man die dreint als een kleuter. Zijn ironie wordt nooit begrepen, jammert Van Gogh. Zo schieten tekst en spel heen en weer tussen uitersten en ontberen iedere nuance.

Die had kunnen komen van de beelden, want Van Gogh Spreekt is een ‘multimediavoorstelling’. De makers tonen een vrolijke schat aan archiefmateriaal, van obscure films die Van Gogh inspireerden tot de clips bij de astrante liedjes die hij ook maakte (weer Haasdijk, nu likkend aan een dildo).

Via een knullige kunstgreep moet de video het personage verrijken: Franssen speelt ook een psychiater die de toneel-Theo analyseert. Maar de vette freudiaanse overdrijving maakt dat dit kansje op verdieping direct weer verdampt. Een serieuze poging om Theo van Gogh in al zijn complexiteit te vangen, is niet gedaan – het is veelzeggend dat de voorstelling opleeft als de echte Theo in beeld verschijnt.

De beelden waarmee het stuk ten slotte eindigt – een fiets op de Linnaeusstraat, een regen van knuffelberen – zijn tenenkrommend pathetisch. Of is dat ook weer onbegrepen ironie?