Rechters moeten elkaar beter in de gaten houden

Bewaken rechters de kwaliteit van hun werk wel voldoende? Een commissie onderzocht het en voorzitter Job Cohen komt vandaag met de conclusie: de rechtspraak staat onder druk.

De constatering dat de gerechten niet genoeg toekomen aan kwaliteitszorg is een „ongemakkelijke conclusie”, zegt commissievoorzitter Job Cohen.
De constatering dat de gerechten niet genoeg toekomen aan kwaliteitszorg is een „ongemakkelijke conclusie”, zegt commissievoorzitter Job Cohen. Foto ANP

De kwaliteit van de rechtspraak staat onder druk. Er komt te weinig terecht van de maatregelen die rechters zelf nemen om de kwaliteit van hun werk op peil te houden, zoals het bijhouden van vakkennis, meelezen van vonnissen, en anderszins aanspreken van elkaar. Dat is de conclusie van de visitatiecommissie van de rechterlijke organisatie die voorzitter Job Cohen vandaag naar buiten brengt.

De visitatiecommissie onderzocht op verzoek van de Raad voor de Rechtspraak de kwaliteitszorg binnen de rechtbanken, hoven en raden. Het is de derde keer dat dit vierjaarlijkse onderzoek plaatsvindt. De commissie sprak met ruim 1.200 medewerkers van de 17 gerechten en verwerkte zo’n 4.000 enquêteformulieren.

Cohen noemt de constatering dat de gerechten niet genoeg toekomen aan kwaliteitszorg een „ongemakkelijke conclusie”, omdat als gevolg van de onafhankelijkheid van deze derde staatsmacht alleen de rechterlijke organisatie zelf de kwaliteit van de rechtspraak kan borgen. Natuurlijk, uitspraken kunnen in hoger beroep worden getoetst, maar van de meeste uitspraken komt geen hoger beroep – die moeten in één keer goed zijn.

Moeten burgers die de afgelopen tijd een vonnis hebben gekregen zich zorgen maken?

„Nee, die hoeven zich geen zorgen te maken. Voor zover we kunnen beoordelen, want we hebben geen vonnissen bekeken. We hebben gekeken naar de maatregelen die ertoe leiden dat de kwaliteit van die uitspraken op peil blijft, of beter wordt: elkaar feedback geven, meelezen met vonnissen, jurisprudentieoverleg, intervisie. Dat systeem is op de achtergrond geraakt. Sluipenderwijs heeft dat risico’s. We hebben niet het gevoel dat het nu al de kwaliteit heeft aangetast, maar daar moet je wel voor oppassen.”

In het visitatierapport van 2010 werd ook al geconstateerd dat het schortte aan interne kwaliteitszorg. Is daar dan niets mee gebeurd?

„Jawel, maar er is nog niet genoeg vooruitgang geboekt. Dat is overigens niet onbegrijpelijk, want er is veel gebeurd in die periode. De wereld is veranderd voor de rechtspraak. In een grootscheepse reorganisatie is het aantal rechtbanken door fusies per 2013 van 19 teruggebracht naar 11, en de gerechtshoven van 5 naar 4. Er kwam een nieuwe bestuursstructuur, en veel van de bestuurders en leidinggevenden zijn vervangen. We hebben gemerkt dat de fusies veel tijd en aandacht hebben gevraagd. De gerechten zijn nu nog bezig met het afstemmen van de werkprocessen. En ondertussen bleef de winkel gewoon open. Rechters en juridisch medewerkers zijn van nature sterk gericht op het primaire proces: zaken behandelen. Het viel me echt op dat iedereen enorm toegewijd en hartstochtelijk met zijn werk bezig is. Dat doordoor de kwaliteitszorg op de achtergrond is geraakt, is begrijpelijk. Het zou om die reden niet gek geweest zijn als er extra geld beschikbaar was geweest voor de reorganisatie, maar dat was er niet.”

Staat de kwaliteit niet ook onder druk door de productie-eisen? Eind 2012 publiceerden rechters een manifest, dat door 700 van de 2.500 rechters werd getekend. Zij zeiden dat financieel gemotiveerde productiedruk de kwaliteit van het werk in gevaar bracht. Extra getuigen horen bijvoorbeeld, dat kost geld.

„We hebben niet gehoord dat mensen zich gedwongen voelen om shortcuts te maken. Dat staat trouwens ook niet in het manifest. Rechters doen gewoon hun werk, inderdaad meer dan vroeger met het idee dat ze productie moeten leveren. Het is niet gek dat die productienormen meer op het netvlies zijn gekomen dan ze waren. De maatschappij vraagt om een rechterlijke macht die niet alleen goed is, maar ook snel, en goed georganiseerd. We zijn ook mooie voorbeelden tegengekomen van rechters die aan het zoeken zijn naar manieren om dat beter te doen.

„Wat we ook niet hebben gezien is dat rechters structureel overbelast zijn. We hebben er echt naar zitten vragen. En onze conclusie is: nee, er is geen sprake van organisatiebrede overbelasting. Binnen sommige gebieden zijn er wel heel regelmatig pieken in de belasting en dan schiet de aandacht voor vakkennis en verdieping er makkelijk bij in. En in de secties strafrecht, familierecht, en bewind, daar was het echt heel druk.”

Hadden die rechters die het rapport ondertekenden dan ongelijk? Waren dat klagers, de moeilijk aan te sturen ouderwetse rechters, waar indertijd op de opiniepagina’s wel over gesproken werd?

„Die zijn er. Die zijn we ook tegengekomen, maar het zijn er niet veel. Er is wel degelijk sprake van een cultuurverandering. Er zijn veel jonge rechters, die zich makkelijker laten aanspreken op kwaliteit, opleidingen, hun gedrag op de zitting, dat soort dingen. Die zich niet verschuilen achter de onafhankelijkheid. Maar ook voor hen geldt dat er steeds weer nieuwe dossiers op het bureau liggen. Dan moet je als organisatie zorgen dat mensen af en toe de tijd nemen om een stapje terug te doen, om zich te verdiepen in het vak en met elkaar daarover te praten. Daar moet nu weer in geïnvesteerd gaan worden. Ik kan me goed voorstellen dat dit voor veel medewerkers de drijfveer is geweest om het manifest te ondertekenen en niet zozeer de hoeveelheid werk zelf.”

Komt de onafhankelijkheid van rechters niet in de knel in een organisatie waar het om lijstjes draait?

„Nee. Rechters zijn echt trots op hun werk en zich bewust van hun onafhankelijke rol. De kern daarvan wordt niet aangetast door duidelijke afspraken over interne processen of kwaliteitsnormen. Het is net als met academische vrijheid. Dat betekent niet dat je kan denken; vandaag heb ik niet zo veel zin om te werken, ik wil alleen maar nadenken. Het gaat erover dat je mag opschrijven wat je wil. De onafhankelijkheid van de rechter is het onafhankelijk oordeel. Daar gaat het over. En als je vervolgens de gerechten samenbrengt en de werkprocessen in elkaar schuift, wat betekent dat ze allemaal hetzelfde briefpapier hebben, dan is het niet aardig als een rechter zegt; spijt me, ik wil mijn briefpapier zo houden, want dat brengt mijn onafhankelijkheid met zich mee. Die rechters zijn er ook. Maar dat zijn er maar een paar.”

Toch bleek uit het manifest een zekere weerzin tegen centrale aansturing. Jullie aanbevelingen versterken juist die centrale aansturing.

„Dat valt wel mee. De kern van ons onderzoek zijn die kwaliteitsinstrumenten. Je kan zien dat waar die instrumenten al stevig zijn, zoals de norm voor permanente opleiding, er het makkelijkst aan wordt voldaan. Daarnaast is er een mooie structuur opgezet om die kwaliteitsmaatregelen nu echt te implementeren. De zorg voor kwaliteit is nu echt belegd bij een van de bestuurders. Er zijn rechters aangewezen als kwaliteitscoördinatoren, en kwaliteitscommissies gevormd. De kunst is dat dat niet alleen van boven naar beneden komt, maar ook omgekeerd. Dat medewerkers zelf meepraten over de doelen en dat als er met rechters afspraken worden gemaakt, die vervolgens ook kunnen zeggen: wacht even, dan moet ik daar ook voldoende tijd voor hebben.”

De Raad voor de Rechtspraak zal zeggen dat er geld bij moet om de kwaliteit van de rechtspraak te waarborgen. Is dat terecht?

„Ja. Als je meer aandacht wil besteden aan kwaliteitszorg, moet dat uit de lengte of uit de breedte komen.”

En burgers die over vier jaar een vonnis krijgen, moeten zij zich zorgen maken? Gaan rechters echt met uw aanbevelingen aan de slag?

„Ik hoop dat ze het zich aantrekken. Wat ze niet moeten doen is wachten tot over vier jaar de volgende visitatiecommissie komt. En dat de besturen dan denken; verdomd, vorige keer waren ze ook, even kijken wat ze toen hadden aanbevolen.

„Wat heel belangrijk is dat men zich realiseert dat de rek er nu even uit is bij de gerechten. Dat ze zuinig moeten zijn op hun mensen, en er niet nog veel grote veranderingen overheen kunnen mikken. Want dat is het beroerde met kwaliteitszorg. Je merkt het pas dat er te weinig is gedaan als het te laat is. Daarom zeggen we: pas daar voor op.”