Ramen lappen

De grote Nederlandse romancier (en briefschrijver) Van der Heijden over zijn grote liefde voor het ‘gevouwen woord’.

Amsterdam, 29 augustus 2014

Geachte en beste mr. Garfield,

Illustraties Lotte Klaver
Illustraties Lotte Klaver

et is ondenkbaar dat ik een voorwoord bij Uw schitterende Ode aan de brief niet in een epistolaire vorm zou gieten, zozeer is uw boek mij uit het hart gegrepen. Als klein eerbetoon aan uw erudiete en zeer betrokken pleidooi voor het behoud van de brief in al z’n verschijningsvormen wil ik u een glimp bieden van hoe bij deze lezer, die zich nu tot u richt, een levenslange fascinatie (om niet te zeggen: obsessie) voor persoonlijke correspondentie kon ontstaan. Ik zal u ook een drietal wonderlijke voorbeelden uit mijn ervaring met briefwisselingen geven – voor uw eigen onuitputtelijke verzameling, zal ik maar zeggen.

Gedurende de duizend dagen, tussen 1946 en 1949, dat mijn vader deelnam aan de valselijk geheten Politionele Acties in voormalig Nederlandsch Oost-Indië, het huidige Indonesië, schreven mijn toekomstige ouders elkaar honderden brieven, vaak twee op een dag. Na mijn vaders terugkeer, in een vaal zandhazenuniform zonder enige onderscheiding, stortte de op papier ontstane illusie van een hemelbestormend leven samen spoedig in. Ze woonden met twee kleine kinderen ‘in’ bij mijn grootouders, op een kamertje van drie bij vier. Om de krap bemeten huiselijkheid te ontvluchten zocht mijn vader, het oude verhaal, ’s zondags zijn heil in de kroeg en de jenever. Op zo’n wanhopige zondag verbrandde mijn moeder de tweezijdige Indische correspondentie, die een grote margarinedoos vulde, in de potkachel, waarvan het buikje spontaan begon te blozen. Ik was nog geen drie, dus het lijkt me uitgesloten dat ik me later herinnerde haar die dramatische daad van vernietiging te hebben zien plegen. Maar ik heb me in de loop van mijn puberteit en jongvolwassen leven, telkens opnieuw verbijsterd over het eenzijdig uitwissen van een liefde die door oorlogsomstandigheden alleen op papier kon bestaan, zo vaak en zo intens een voorstelling van gemaakt dat ik me verbeeld mijn moeder bij de potkachel bezig te zien, handenvol brieven proppend in de open klep, waaruit gulzige vlammen krulden.

Het is een van de grote frustraties in mijn leven dat ik deze brievenwisseling, die mij (het wachten was alleen nog op het zaad) min of meer heeft verwekt en gebaard, nooit onder ogen heb gekregen, ook niet na de dood van mijn ouders. Volgens mijn moeder had haar jongste zus de onhebbelijkheid om over haar schouder hangend de verliefde en verlangende frasen mee te lezen en honend de huiskamer in te blèren, tot afkeurend vermaak van het hele gezin. Ik heb er deze tante Tiny, bijgenaamd Tientje Poets, later wel eens naar gevraagd, maar zij kon zich geen specifieke briefpassages herinneren: ‘Het was allemaal geslijm. Als een ander maar ver genoeg weg is.’

Het verlies van de documentatie die mijn bestaan voorbereidde, heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat ik later van mijn eigen uitgaande post kopieën ben gaan bewaren – ik schat inmiddels zo’n 15.000 stuks. Het conserveren van zoveel persoonlijke tekst heeft iets beschamend narcistisch (nog afgezien van het risico dat je bij sommige in archief behouden brieven loopt) – maar alles beter dan het schrikbeeld van mijn moeder bij haar blozende potkacheltje en mijn nietsvermoedende vader die op hetzelfde moment zijn biljartkeu over het groene laken legde.

U verhaalt in uw boek over het epistolaire verslag dat Plinius de Jongere deed van de uitbarsting van de Vesuvius in 79 n. Chr., waardoor Pompeï en een groot deel van haar inwoners bedolven raakte. Het is een veelkantige brief voor zo’n jong iemand: journalistiek, poëtisch, tragisch (hij beschrijft hoe zijn geliefde oom erbij omkwam). Hoe wrang van genot ook, het mooist zijn nog altijd de brieven die achteraf diep blijken te hebben ingegrepen in een mensenleven.

Ik zat in de eerste klas van de middelbare school toen mijn grootmoeder in een Eindhovens ziekenhuis kwam te liggen met galstenen: die moesten operatief verwijderd worden. Omdat mijn school niet ver van het hospitaal lag, fietste ik er elke middag even langs om haar een bezoek te brengen. In alle eerlijkheid: meer dan in mijn oma was ik geïnteresseerd in de jonge vrouw die op zaal in het bed naast dat van mijn grootmoeder lag. Zij had van een witte handdoek een tulband rond haar kale hoofd geïmproviseerd, wat haar, vooral wanneer ze op een elleboog rustte, iets exotisch gaf – als op de illustraties bij mijn uitgave van Sprookjes van 1001 nacht. Een kale vrouw, dat was iets nieuws voor me. Oma legde me fluisterend uit dat ze een grote hoeveelheid rattengif had verzwolgen, omdat ze van haar ouders geen omgang mocht hebben met de man van wie ze hield. De zelfmoordpoging was mislukt. Ze hadden haar in hevige krampen gevonden, en haar met loeiende sirene naar het Sint Jozefziekenhuis gebracht, waar haar maag was leeggepompt. Door het gif viel wel haar weelderige haardracht uit. ‘Hele plukken… bij bossen tegelijk.’

De jonge vrouw glimlachte vanonder haar tulband bleekjes naar me. Even later arriveerde er een man, wat ouder dan zij, die omzichtig het bed naderde, en er een boeket bloemen op legde. ‘Dat is ’m, de dondersteen,’ fluisterde oma met een woedend gezicht, alsof de man een moordaanslag op zijn geliefde gepleegd had, en nu het lef had naar de plaats van de misdaad terug te keren.

Oma probeerde mijn belangstelling te wekken voor het doorzichtige buisje met galstenen, een soort grind, dat de chirurg uit haar lijf gehaald had. Maar ik kon geen oog afhouden van wat zich in en aan het volgende bed afspeelde. De geliefden keken elkaar onafgebroken in de ogen, onhoorbaar naar elkaar fluisterend, daarbij telkens zacht nee schuddend – niet om iets te ontkennen, maar waarschijnlijk uit ongeloof om hun pure geluk, dat ze niet konden bevatten. Zo’n liefde wilde ik ook. Dat haar, dat groeide wel weer aan.

Ik probeerde mijn aandacht tot mijn grootmoeder en haar weggeharkte grind te beperken, maar al gauw dwaalde mijn blik weer naar het aanpalende bed. De vrouw met de tulband had zich in de kussens opgericht, waarbij het dek naar beneden was gegleden. De hand van de man lag, half onder het pyjamajasje, op haar buik, achteloos, alsof je hem toch ergens moest laten. Ik gloeide. De bel die het einde van het bezoekuur aankondigde, dreunde luid als een alarmschel door de gangen. Oma gaf me een natte zoen op mijn slaap. ‘Blijf goed je best doen op school.’ Ik draalde. De man kuste de vrouw teder ten afscheid. Hij haalde een langwerpige envelop uit zijn binnenzak, en schoof die half onder het hoofdkussen. ‘Voor straks, als ik weg ben.’ Zo liet hij zichzelf, na de bel, voor haar achter. Ik gloeide nog meer. Op weg naar de open deur draaide de man zich nog een paar keer om, verlegen zijn hand opstekend. Zij zwaaide terug, overgelukkig. ‘Ga nu maar,’ mimede ze. En weg was hij.

‘Het wordt je tijd, Adri,’ zei mijn grootmoeder. ‘Zo dadelijk komt de zuster, en die vindt het niet fijn als mensen blijven hangen.’

Ik moest het gezicht van de vrouw zien als ze de brief las. Hoe er nog een extra liefdeswaas over haar verliefde trekken heen zou glijden. Ze opende de envelop met een nagelvijl. Twee velletjes. Haar ogen schoten langs de handgeschreven regels. Het gezicht verstarde, en kreeg zelfs even iets lelijks door de abrupte verbijstering die erop verscheen. De lege envelop lag op haar boezem. Ze had in elke hand een deel van de brief. Ze draaide de velletjes om en om, hield de aanhef en het slot naast elkaar, en begon luid te huilen – niet ‘hartverscheurend’ zoals het wel heet, maar dierlijk en ontluisterend, in nood en in pijn. De blaadjes dwarrelden ter weerszijden van het bed naar de grond. Geschrokken richtte mijn grootmoeder zich op in de kussens. Aan de overkant lieten twee vrouwen zich uit bed glijden: ze spoedden zich naar de ongelukkige, maar bleven hulpeloos aan het voeteneind staan, niet wetend wat te doen, behalve het rauwe verdriet van dichtbij gadeslaan.

‘God, meiske, wat is er dan toch?’ vroeg mijn oma.

‘Hij heeft het uitgemaakt, de rotzak,’ loeide de jonge vrouw. ‘Hij schrijft dat het uit is… het is uit…’

Ik wens me hardnekkig te herinneren dat ze daarbij de tulband afrukte, die aldus weer in een gewone handdoek veranderde. Ik zie haar kale hoofd voor me, dat een schaduw vertoonde van het allereerste dons, ten teken dat ook op arsenicum nog haar kon gedijen.

Oma gebaarde dat ik weg moest gaan. Dit was voor boven de achttien. Ik verliet met mijn schooltas achterwaarts de ziekenzaal. De volgende dag was het bed naast mijn grootmoeder leeg. Oma zei: ‘Ze hebben haar eenpersoons gelegd.’

Daar moest ik het mee doen, maar een ongeneeslijke fascinatie was geboren. Sindsdien sierde het profiel van de vrouw met de tulband elke postzegel op de brieven die ik verzond en ontving. Liefde, zelfmoord, herrijzenis, verraad, afstoting, verdriet, wanhoop, eenzaamheid… dat twee handbeschreven velletjes postpapier in een envelop, overhandigd met een mierzoete blik, zoveel leed konden bevatten. Wat ik ervan geleerd heb: de kracht van de persoonlijk geschreven boodschap (die gelukkig niet altijd vernietigend hoefde te zijn). Het heeft niet voorkomen dat ik die kracht zelf af en toe misbruikt, of op z’n minst onderschat, heb.

‘Als er liefdesbrieven geschreven gaan worden, is het binnen de kortste keren gedaan met de verkering.’

Zo luidde de hartgrondige opvatting in het milieu van mijn jeugd, zoals men daar ook trots zou uitroepen: ‘Oscar Wilde? Nooit van gehoord!’

Ik heb me gelukkig nooit door schade en schande tot wijsheid laten brengen, en postte mijn brieven naar elders gelegen adressen, waar ze niet steevast als het begin van het einde werden ingeschat. Tot slot, mr. Garfield, wil ik u deelgenoot maken van een curieuze wijze van corresponderen waar ik in een Nederlandse gevangenis getuige van was, tussen mannen en vrouwen die elkaar alleen vanuit de verte konden beminnen.

In het voorjaar van 2007 liet ik me door een maatschappelijk werker rondleiden door Penitentiaire Inrichting Overmaze bij Maastricht. De mannen hadden hun cel in een soort torenflat, die bijna fallisch, hoog en massief, oprees uit de laagbouw van de vrouwenafdeling, die zich losjes om de voet ervan heen slingerde. Nadat de maatschappelijk werker me de verschillende faciliteiten van de mannentoren had laten zien, daalden we per goederenlift af naar de begane grond, waar een (streng bewaakte) doorgang was naar de dames gedetineerden. Hun luchtplaats bestond uit een heuse binnentuin, met parkbankjes rond een goudvissenvijver. Hier werd ik achtergelaten in afwachting van een nadere rondleiding. Ik keek omhoog naar het gevangenisgebouw, dat door voorbijdrijvende wolken duizelingwekkend naar me over leek te hellen. Voor een vierkant raam op de vijfde verdieping stond roerloos een man naar beneden te kijken – naar mij, zo leek het. Ik ging op een bankje zitten, en kreeg spoedig gezelschap van een vrouwelijke gevangene, die door twee damescipiers naar buiten was begeleid. Ze negeerde mijn groet, en scheen alleen aandacht te hebben voor de man achter het venster op de vijfde etage. Ze gaf hem een teken, en de man begon de ruit te zemen – althans, hij maakte de gebaren, parallel en diagonaal, die bij ramen lappen horen, zonder dat ik een spons of een zeem in zijn hand kon ontdekken. De jonge vrouw naast me had een ballpoint tevoorschijn gehaald, en begon notities te maken – niet op een stuk papier, maar op haar naakte bovenbeen, vanaf de knie langzaam richting lies, waartoe ze de zoom van haar jurk enigszins op moest schorten. Toen ik beter keek, zag ik dat de man binnen het vierkante raamwerk van het venster letters tekende, kapitalen in spiegelschrift, zonder daarbij de ruit aan te raken. Het was schrijven in de lucht, waarbij het venster als ordenend kader diende. De vrouw zette op haar bovenbeen de gespiegelde letters om in leesbare woorden, zodat langzaam een samenhangende tekst ontstond. Hij dicteerde haar dus de brief die ze geacht werd te ontvangen. Spaties gaf hij aan middels een speciaal gebaar met gevouwen handen, en bij wijze van ondertekening zond hij de adressante een overdreven luchtkus.

De brief was verzonden, terwijl de ontvangster hem nog aan het uitschrijven was. Toen ze de rand van haar broekje naderde, zei ze zacht: ‘Moet je opletten… nu komen die gietijzeren potten klagen over obsceen gedrag.’

Inderdaad vervoegden de gevangenbewaarsters zich bij de bank om te melden dat haar luchttijd voorbij was. De man daarboven stond er nog, roerloos als voorheen. Van de maatschappelijk werker vernam ik dat deze speciale, in Overmaze gangbare methode van liefdesbrieven schrijven en versturen inderdaad met ‘ramen lappen’ werd aangeduid. De razendsnel in de lucht geschreven tekst had ik, op een paar losse woorden na, niet kunnen ontcijferen, maar ik begreep dat hier een trouwerij werd voorbereid – tussen een man en een vrouw die elkaar fysiek niet verder dan de geschetste afstand kenden, maar in de geest des te intiemer door de luchtpost die ze elkaar, de gevangeniscensuur omzeilend, wisten te doen toekomen.

Later werd er een reeks televisiedocumentaires aan Overmaze gewijd. In een ervan was te zien hoe een bruid in vol ornaat, compleet met sluier, door de gangen van de mannentoren ijlde – op weg naar de kapel, om er met haar uitverkorene te trouwen. Het was het stel dat ik bij hun intieme briefwisseling had gezien. Bij wijze van eerste huwelijksnacht mocht het bruidspaar zich voor een uurtje of twee afzonderen in de IC (Intieme Cel) voor een BZT (Bezoek Zonder Toezicht). Daarna werd ieder naar de eigen afdeling teruggebracht. Ze konden, zolang ze getrouwd waren, iedere maand anderhalf uur van de BZT-regeling gebruikmaken. Voor het overige dienden ze zich te behelpen met ramen lappen.

Zo ver kwam het niet, want vrij kort na de bescheiden, non-alcoholische bruiloft werd de man (ik weet niet waarom) overgeplaatst naar een andere gevangenis. Het huwelijk verliep. Ze hadden elkaar langs de gewone weg, via de posterijen, kunnen blijven schrijven, maar dat gebeurde niet. Misschien werden ze afgeschrikt door de te verwachten censuur, die niet voor hun speciale vorm van luchtpost gold.

Ik zou het ‘ramen lappen’ graag in de canon van bijzondere correspondentiewijzen opgenomen zien, als u zich daarin kunt vinden.

Zo, dan wordt het nu tijd deze brief af te ronden, in een envelop te doen en te frankeren – ik heb nog een postzegel over van de vrouw met de tulband. Net als, volgens een hardnekkige mythe, Oscar Wilde gewend was te doen, zal ik het poststuk het raam van mijn werkkamer uit keilen, zo de straat op. Uw adres, mr. Garfield, in combinatie met de afzender moet een willekeurige voorbijganger er toch toe kunnen bewegen de envelop naar een brievenbus te brengen – belangeloos, of liever: in het belang van De Brief, die nooit verloren mag gaan.

In bewondering voor uw magnifieke ‘Ode’,

uw

Deze open brief van A.F.Th. van der Heijden is geschreven als voorwoord van Simon Garfields Ode aan de brief. Zie ook pagina 6.