Palestijn moet uit kolonistenbus

Gescheiden openbaar vervoer tekent hoe Palestijnen en Israëliërs steeds meer segregeren.

Bij de eerste halte in Ariël van lijnbus 286 stapt een soldaat met een M16 in. Hij vorst de gezichten van de passagiers en verlaat de bus weer via de achteruitgang. Waar was hij naar op zoek? Oh simpel, zegt de negentienjarige student Daniel Feldman. „Hij keek of er Arabieren in de bus zaten.”

Feldman, die al jaren met deze bus reist, schetst de procedure. Als de soldaat een Arabier aantreft, vraagt hij naar diens werkvergunning. Palestijnen mogen alleen in Israël werken als ze vooraf zijn gescreend door politie en veiligheidsdienst. Feldman: „Ik ben zelf ook weleens gecontroleerd, omdat ze me voor een Arabier aanzagen. Best beangstigend.”

Zo gaat dat, als een bus Israël binnenrijdt – ware het niet dat Ariël niet in Israël ligt. Het stadje met bijna twintigduizend inwoners ligt op de Westelijke Jordaanoever. De internationale gemeenschap beschouwt het, op basis van diverse VN-resoluties, als een illegale nederzetting.

Met bus 286 van Tel Aviv naar Ariël – een enkeltje kost 2,35 euro – reizen zowel Israëlïers als Palestijnen, al stapt die laatste groep wat eerder uit. Vanaf december zal deze bus niet langer gemengd zijn. Kolonisten klaagden dat ze de bus moeten delen met Arabieren, die luidruchtig zouden zijn en meisjes zouden lastigvallen. Minister Ya’alon (Defensie) heeft toegezegd dat er aparte bussen komen voor de duizenden Palestijnen die na hun werkdag in Israël terugreizen naar hun huis op de Westelijke Jordaanoever.

Feldman, die deels in Ariël opgroeide en er nu bouwkunde studeert, heeft naar eigen zeggen niet zo veel last van Palestijnen in zijn bus. Goed, soms stinken ze een beetje na een lange dag hard werken, bijvoorbeeld in de bouw. En een meisje dat hij kent, is weleens lastiggevallen in de bus. Hij hoort weleens van mensen die „liever niet” naast een Arabier zitten.

Maar het echte probleem, zegt Feldman, is dat vooral de bussen halverwege de middag door al die Palestijnse arbeiders overvol zitten. Slapen in Israël mogen ze niet, en ze gaan voor het donker naar huis. De oplossing, meent de student, is simpel: „Zet meer bussen in.” Wie liever niet met Palestijnen reist, koopt maar een auto. Aparte bussen vindt hij „racistisch”.

Snelweg 60

Toch bestaat gescheiden busvervoer al. In de ochtend mogen Palestijnse arbeiders Israël alleen binnen via de Eyal-controlepost. In de bussen die hen vanaf daar verder vervoeren, zitten geen Israëliërs. En ook binnen de Westelijke Jordaanoever rijden gescheiden bussen. Langs snelweg 60, de belangrijkste noord-zuidverbinding door het bezette gebied, staan ‘Joodse’ en ‘Palestijnse’ bushokjes. Westerlingen die zich bij een Palestijnse halte vervoegen, krijgen de vraag van een Israëlische soldaat of ze niet bij het verkeerde hokje staan. Wie volhoudt, loopt de kans om een veiligheidscontrole te moeten ondergaan.

Deze segregatie was niet altijd zo groot. Tot en met de jaren tachtig werkten Palestijnen in groten getale in Israël, veel ouderen spreken nog altijd goed Hebreeuws. De Groene Lijn tussen Israël en de Westelijke Jordaanoever fungeerde als grens, maar het was niet moeilijk voor Palestijnen om deze over te steken. Na de Eerste Intifada (1987-1993) en Palestijnse zelfmoordaanslagen in Israël werd de Groene Lijn steeds verder afgegrendeld, tot wat ze nu is: een welhaast onneembare barrière.

Bij de Eyal-controlepost is ’s ochtends vroeg een groepje Palestijnse dagloners aan het wachten om te worden opgehaald door een Israëlische bouwondernemer. Maar het is al zeven uur, dus de kansen daarop nemen af. En daarvoor zijn ze dan in alle vroegte opgestaan: het spitsuur bij het checkpoint ligt rond half vijf.

Hun voorman, de 48-jarige Mohammed Saleh, vindt het eigenlijk best een goed idee om ook ’s middags aparte bussen in te zetten voor zijn arbeiders. „Arabieren kunnen vervelend zijn. Ze praten luid, dragen werkkleren. Soms vechten ze. En vergeet niet: sommige Arabieren zitten ook liever niet met kolonisten in de bus.”

’s Middags zit de Palestijnse schilder Hamza Farouk (23) uit Nablus in dezelfde bus als Feldman. Farouk heeft „nog nooit” problemen ervaren in bus 286, „al heb je er altijd wel een paar rotte appels tussen zitten”, zegt hij. „Ik hou van dit land en van de mensen. Ik kom naar Tel Aviv om te werken, niet om mensen lastig te vallen.”

Liften

Aan de andere kant van het gangpad zegt toekomstig kolonist Noam (34) – hij laat Palestijnse arbeiders net over de Groene Lijn een huis voor hem bouwen – dat hij nooit heeft gezien dat Palestijnen mensen lastigvielen in de bus. „Maar als ik met minder dan tien Joden in een bus vol met Palestijnen zit, voelt dat wel oncomfortabel. Halverwege de middag neem ik deze bus liever niet. Dan ga ik liften.”

Feldman, wiens ouders – net als eenderde van de bevolking van Ariël – uit de voormalige Sovjet-Unie komen, benijdt de Palestijnen een beetje. Zij kunnen reizen over bijna de hele Westelijke Jordaanoever. Hoewel Feldman zelf al jaren in het bezette gebied woont, komt hij nooit ergens anders dan in Ariël. Naar andere nederzettingen is het vervoer niet zo goed geregeld en sinds de moord op drie Joodse tieners, in juni, lift hij ook niet graag.

Een stad als Ramallah mag Feldman als Israëlisch staatsburger niet binnen. Hij heeft er goede dingen over gehoord, Palestijnen die lekker in koffiebarretjes zitten, een „Arabisch Tel Aviv”. Al verschillen Palestijnen flink van Israëliërs, vindt hij. „Het zijn simpele lieden, ze hebben niet veel. Ze willen gewoon hun gezin onderhouden en hun kinderen onderwijzen. Ze leven anders dan wij, veel langzamer. Ach, en misschien hebben ze nog gelijk ook.”