Nieuwe Dylan-tapes strak en vol schwung

Uit een doos in het Dylan-archief doken liedteksten op die Bob Dylan schreef in de zomer van 1967, maar die het album ‘The Basement Tapes’ niet haalden. Vijf muzikanten, onder wie Elvis Costello, maken daar nu hun eigen versies van.

Het was een kartonnen doos met daarin een stapel dicht beschreven vellen papier. Iemand vond de doos – hoe precies, is onbekend. Regisseur Sam Jones was er niet bij dus kan het niet met zekerheid zeggen. Maar de teksten heeft hij gezien. En daaruit kon hij afleiden: in de zomer van 1967, op zijn 26ste, schreef Bob Dylan zijn nummers in één vloeiende beweging. Hij maakte nauwelijks doorhalingen. Hij rondde een nummer in één keer af. Hij was trefzeker en geïnspireerd.

Sam Jones weet dit omdat hij een film regisseerde over de Dylan-doos. De songteksten die daaruit opdoken, waren geschreven door Dylan ten tijde van het opnemen van The Basement Tapes. Dat was in 1967, in Woodstock, New York. Van alle liedjes die in die zomer werden opgenomen – ongeveer 150 stuks – bleek ook nog een aantal liedteksten ongebruikt te zijn gebleven. Op het Dylan-archief in New York, waar zijn materiaal chronologisch ligt opgeslagen, deed iemand een doos uit de jaren zestig open en vond de voorraad tekst.

Schwung en vrijzinnigheid

Dat was vorig jaar. Een werknemer lichtte muzikant/producer T-Bone Burnett in, en stelde voor dat Burnett nieuwe muziek bij de teksten zou maken. En toen ging het snel. Dylan gaf toestemming, Burnett verzamelde een groepje singer-songwriters, en Sam Jones besloot een film te maken van de opnamen. Zo ontstonden The New Basement Tapes, gezongen door, en met muziek van, een vijftal artiesten uit verschillende hoeken en generaties van de popmuziek: Elvis Costello, Marcus Mumford (van Mumford & Sons), Jim James (My Morning Jacket), Rhiannon Giddens (Carolina Chocolate Drops) en Taylor Goldsmith (Dawes), aangevoerd door bandleider/producer T-Bone Burnett. Volgende week verschijnt het resultaat: een cd met twintig composities rond teksten van Dylan.

De sessies hadden plaats afgelopen maart, in de Capitol-studio’s in Los Angeles, en duurden twee weken. „De opnameperiode was kort en spontaan”, zegt regisseur Sam Jones. „Omdat het moeilijk is om vijf muzikanten op dezelfde tijd op dezelfde plaats te krijgen, maar ook omdat we ons wilden houden aan de sfeer van de oorspronkelijke Basement Tapes. In één of twee versies moest het goed zijn.”

De nummers van The New Basement Tapes hebben de schwung en vrijzinnigheid van het oude voorbeeld. Al klinkt het geheel strakker en minder stoffig, er is een verrassende onbekommerdheid om door elkaar heen te zingen, soms wat schots en scheef te musiceren, en afwisselend de rol van aanvoerder op zich te nemen. Zo is Marcus Mumford leadzanger in When I Get My Hands On You, en mijmert Rhiannon Giddens in Spanish Mary.

De vijf artiesten kregen een stapeltje teksten mee naar huis om een compositie omheen te bedenken. Volgens Jones had ieder zijn eigen aanpak. „Elvis Costello schiet midden in de nacht een deuntje te binnen en zingt dat dan zachtjes in zijn telefoon. Jim James werkte een demo uit op zijn computer, Rhiannon hoort een melodie in haar hoofd. Die zong ze voor bij de andere muzikanten, die er de akkoorden bij zochten.” Een aantal nummers kwam improviserend tot stand. Dat zijn de beste, aldus Jones. Een van de ter plekke geïmproviseerde liedjes is Nothing To It, een hoogtepunt van de cd, waarin de zangers op hompelend Dylanritme de voordelen van het vrijbuitersbestaan bezingen. Ze moedigen elkaar aan, vallen in, en kiezen hun eigen moment om weer af te haken.

De teksten van de nieuwe basement tapes liggen in de lijn van de oude. Destijds werkte Dylan samen met de band The Hawks – die later The Band zou heten. Ze musiceerden voor de vuist weg, in hun grote roze huis in Woodstock, genaamd ‘Big Pink’. De oude tapes vormen de ‘missing link’ tussen Dylans succes-lp Blonde On Blonde (1966) met zijn voortstuwende rock-light, en de stijl van John Wesley Harding (1967), waarop Dylan terugging naar de akoestische stijl van zijn begintijd.

Heilige verontwaardiging

De oorspronkelijke Basement Tapes ontstonden in een periode dat Dylan zich had teruggetrokken uit het openbare leven (zie kader). De vijf jaar daarvoor had Dylan niet alleen onophoudelijk getoerd en platen opgenomen, hij was ook het middelpunt van voortdurende publieke hysterie. In positieve zin – hij was op de top van zijn populariteit – maar ook als onderwerp van heilige verontwaardiging, omdat hij zich als apostel van het akoestische genre tot de elektrische rock had bekeerd. En dat ging niet zachtzinnig: in Amerika en Engeland kwam de menigte niet alleen naar zijn optredens voor de muziek maar ook om hem toe te jouwen en uit te schelden.

De uitgeputte Dylan landde in Woodstock, en begon daar muziek te maken met de vijf Hawks, in de kelder van hun huis, waar zacht gespeeld moest worden wegens de echo. Alles werd opgenomen; snel en rafelig, inclusief valse starts. De sfeer in ‘Big Pink’ was huiselijk, er werd was opgehangen, met honden gestoeid. De muzikanten associeerden er, inhoudelijk én muzikaal, op los. De teksten zwierven van appelboom tot ‘murder ballads’. Onder de ongeveer 130 opgenomen songs zaten covers van traditionals, liedjes van grondleggers van het blues- en country-genre als John Lee Hooker en Hank Williams, en eigen nummers, die Dylan vaak ter plaatse uit zijn mouw schudde. Ook de eigen liedjes waren geschreven in de geest van de folksongs uit de jaren twintig, begeleid door vingervlugge mandolines, stampende voeten, spontaan meezingende mannenstemmen.

Associatief en soms onzinnig

Hoewel de nummers destijds niet officieel werden uitgebracht – er circuleerden wel bootlegs en in 1975 verscheen een selectie van 24 songs op lp – sijpelde de stijl en sfeer van The Basement Tapes langzaam door in de Amerikaanse muziekscene. Want deze muziek onderscheidde zich van de heersende stijl aan het eind van de jaren zestig, dit was niet-psychedelisch, niet ‘groots’ geproduceerd, geen protestsong maar nummers met intieme toonzetting.

Zo rolden de Basement Tapes de loper uit voor het americanagenre: muziek met zijn wortels in de jaren twintig van de vorige eeuw, losjes gespeeld en over onderwerpen die eerder thuishoren op het platteland dan in de stad, populair bij meerdere generaties muzikanten – van Gram Parsons tot Wilco, van Gillian Welch tot Carolina Chocolate Drops.

Het tempo waarin de muzikanten die zomer hun liedjes opnamen (even later vertrok Dylan alweer naar Nashville voor de opnamen van John Wesley Harding) was zelfs voor Dylan-begrippen hoog. Dat is te horen aan de opnamen die soms stokken, of halverwege van koers veranderen. En het blijkt uit de teksten. Die zijn associatief, humoristisch, soms onzinnig, en, zo blijkt uit het nu teruggevonden gele blaadje met daarop de woorden van Married To My Hack, onaf. De tekst stopt midden in een zin: ‘Just gimme a bottle and the --’ Elvis Costello heeft zijn versie, een typisch tegen de haren in strijkende Costello-ballade, op eigen gezag afgerond met de regel ‘Gimme a bottle and someone to throttle/ ’cause I’d rather stay married to my hack.’

Volgens Sam Jones hadden de Dylan-teksten een bevrijdend effect op de vijf muzikanten. „Ze voelden zich vrij, omdat ze zich niet druk hoefden te maken over teksten, niet over hun eigen album of over hun positie in de band. Alles mocht, en dat gaf een nieuwe richting bij het componeren.” Was er ooit ruzie tussen de muzikanten onderling? „Nee, nooit.” Jones lacht. „Iedereen had het naar zijn zin. Ze konden samenwerken met Bob Dylan.”