Opinie

In de bloei

‘Sartre was slechts drie jaar ouder dan ik – een gelijke, zoals ook Zaza [haar vriendin] was geweest – en samen zetten we ons aan de taak de wereld te ontdekken. Mijn vertrouwen in hem was zo groot, dat hij me dat gevoel van onfeilbare zekerheid verschafte dat ik eens uit mijn ouders of uit God had geput.”

Simone de Beauvoir (1908-1986) in het tweede deel van haar memoires uit 1960, La force de l’âge, in de Nederlandse vertaling De bloei van het leven.

Geboeid blijf ik me een weg banen door haar oeuvre. Een nogal eenzame expeditie, want het literaire landschap waarin het tot stand kwam is goeddeels verlaten. De meeste bewoners zijn dood, zowel de creatieve elite als zijn volgers. De Beauvoir is vooral nog een naam, een reputatie. Toch is haar werk nog springlevend, merkte ik ook in dit tweede deel.

Het begint met haar ontdekking van de seksualiteit. Daarover uit ze zich, zeker voor die tijd, uitzonderlijk openhartig. Sartre was soms ver weg en ze voelde dan een gekmakend verlangen naar hem waarvoor ze zich schaamde. „Ik had mijn puriteinse opvoeding net genoeg afgeschud om zonder tegenzin te genieten van mijn lichaam, maar niet voldoende om goed te vinden dat dat lichaam me hinderde; dat lichaam dat hongerde, bedelde en klaagde vond ik weerzinwekkend. Ik was genoodzaakt een waarheid te erkennen die ik sinds mijn adolescentie had gepoogd te verbloemen: de neigingen van mijn vlees onttrokken zich aan mijn wil.”

Naarmate hun relatie zich in die jaren veertig verder ontwikkelt, lijkt de lichamelijke aantrekkingskracht te vervagen. Mij viel op hoe klinisch de beschrijvingen van hun ontmoetingen worden, ook als ze elkaar door de Duitse krijgsgevangenschap van Sartre maanden nauwelijks zien. Misschien kwam dat ook doordat Sartre openlijk polygaam was en Simone gevoelens van jaloezie niet kon onderdrukken. Ze spreekt niet toevallig, zij het terloops, van ‘de ongelukkige geschiedenis van het driemanschap’ met wederzijdse vriendin Olga.

Wat haar ook aan Sartre bond, waren zijn linkse politiek-maatschappelijke opvattingen. Beiden waren overtuigd antikapitalistisch en geloofden in het ‘waarachtig socialisme’ van de Sovjet-Unie, maar de teleurstelling is groot als in 1939 het pact tussen Duitsland en Rusland tot stand komt.

De Beauvoir wordt minder goed leesbaar als ze de filosofische theorieën van Sartre probeert uit te leggen. Zou ze diens existentialisme zelf wel helemaal begrepen hebben? Noemt ze zich daarom, ietwat schuldbewust, ‘geen filosofe’?

Veel beter is ze op dreef als ze haar vriendenkring beschrijft, waartoe befaamde intellectuelen en kunstenaars als Aron, Bataille, Camus, Queneau, Giacometti, Picasso en allerlei excentrieke halve mislukkelingen behoorden.

Op de achtergrond dreunt de Tweede Wereldoorlog: van de bezetting tot de bevrijding van Parijs. Sartre heeft contacten met het verzet, zelf leeft ze in de marge, eerst als lerares, later als beginnend schrijfster. Ze is een buitengewoon ondernemende vrouw met een grote reislust. Ze deinst er niet voor terug lange, eenzame tochten door de natuur te maken. Op een ervan wordt ze bijna aangerand door twee mannen in een auto. Ze laten haar gaan als ze dreigt uit hun rijdende auto te springen. „Met wat oplettendheid en vastbeslotenheid kon je je overal doorheen slaan”, concludeerde ze.