‘Ik wilde het belang van brieven voor gewone mensen tonen’

Zijn mooiste brievenverzameling staat niet in het boek dat Simon Garfield over de papieren brief schreef. Inderdaad: dat zijn oude liefdesbrieven.

Simon Garfield: ‘Ik ben heus geen heilige: briefschrijven is een klus’Foto Jeremy Sutton-Hibbert/ Getty Images
Simon Garfield: ‘Ik ben heus geen heilige: briefschrijven is een klus’Foto Jeremy Sutton-Hibbert/ Getty Images

Heeft het zin om iemand die een ode aan de papieren brief heeft geschreven een e-mail te sturen? Zou hij wel antwoorden op een drieregelig verzoek tot een interview? Ja, de Britse journalist Simon Garfield (1960) antwoordt onmiddellijk.

Thuis in noord-Londen, zijn iPhone binnen handbereik en papieren kranten en boeken naar een hoek van de keukentafel geschoven, zegt hij: „Natuurlijk e-mail ik. En ik tweet, en stuur de hele tijd sms’jes. Ik skype met een tante in het buitenland. Ik vind het allemaal fantastisch!” Hij zegt: „Ik ben niet iemand die technologische vernieuwing wil tegenhouden.”

Maar tegelijkertijd waarschuwt Garfield voor „het kolossale verlies” dat wij door de komst van e-mail onbewust lijden. In zijn boek To the Letter, dat zowel een ode aan het briefschrijven is als een grafrede, schrijft hij: ‘Een e-mail is een por in de zij, een brief is een teder gebaar.’ Hij citeert schrijfster Katherine Mansfield: ‘Dit is geen brief, maar het zijn mijn armen die je kort omhelzen.’

Er is, meent Garfield, iets wezenlijk anders aan het schrijven van een brief dan aan het tikken van een e-mail. Aan het toevertrouwen van je gedachten aan papier dat bestemd is voor één ontvanger. „Je schrijft een brief en een e-mail niet op eenzelfde manier. Hoe vaak komt het voor dat je op een zondagmiddag een paar uur gaat zitten om een e-mail van zeg tweeduizend woorden te schrijven? Tuurlijk, het kan. Maar doe je het?

„E-mails schrijf je sneller en ze bevatten minder emotie. We zijn ons er altijd van bewust dat iemand kan meelezen, dat je per ongeluk een fout adres intikt, of erger ‘reply all’ intikt. Mails worden voorzichtiger opgeschreven. En ze zijn dwingend. Als je niet binnen een dag een reactie hebt gegeven, denkt de afzender dat je dood bent. Of op zijn minst onbeleefd.

„Mijn zoon ontmoette tijdens de vakantie een meisje, en ze wisselden mailadressen uit. Binnen een paar weken was het over, de antwoorden kwamen binnen een uur, en na een tijdje hadden ze elkaar niets nieuws meer te melden.”

U heeft het nog over de e-mail, maar iedereen onder de twintig gebruikt zelfs geen mail meer om te communiceren. Ze whats-appen en sms-en.

„Ja, wij verkeren nog in de veronderstelling dat e-mail een alternatief is voor de brief. Maar zelfs dat kost moeite: je moet je computer aanzetten, een toetsenbord hebben, je moet nog altijd een aanhef verzinnen...” Hij wijst naar zijn iPhone: „Ik weet dat je ook een mail van je smartphone kan sturen. Maar waarom zou je dat doen als je kunt instagrammen, whats-appen, snapchat en tweeten?

„We zijn absoluut communicatiever dan de generaties voor ons, we delen meer. Als ik twitter bereik ik meer mensen dan met een mail of een brief. Maar toch: wat je schrijft, is minder substantieel. Er zit minder gedachte achter. De lengte van een tweet [140 lettertekens, red.] definieert de vorm. Dat is de grap. Maar ik zou het gênant vinden als de onzin die ik de wereld instuur, zou worden bewaard.

„Wat we doen, wordt veel beter vastgelegd, van minuut tot minuut, en we hebben duizenden foto’s van ons glimlachende zelf. Maar we hebben minder analyse van wat we dachten: het zijn allemaal luchthartige, banale reacties.”

Hoe snel brieven verdwijnen, blijkt wel uit een voorbeeld dat hij geeft: een sms-je ter deelneming bij iemands dood. In zijn boek, dat in de herfst van 2013 uitkwam, noemt Garfield de condoleancebrief nog ‘de steunpilaar van het briefschrijven’. „Tsja. Het is niet meer iets om je over te schamen. Je wilt als je hoort over iemands dood onmiddellijk medeleven tonen, misschien met de intentie om later nog een echte brief te schrijven. Kom je daar dan nog aan toe? Waarschijnlijk niet.”

Bijkomend nadeel is dat het moeilijker wordt brievencollecties van beroemde schrijvers en dichters te bewaren. „Meer e-mails dan brieven zullen overleven, maar in een soort mythische wolk, een pakhuis in Wisconsin in enorme servers. Ze zullen achter een firewall zitten, met een wachtwoord. Er ontstaan vast ingewikkelde problemen met auteursrechten, en wie toegang krijgt tot een e-mail.

„Ik sprak hierover met de archivaris van de Universiteit van Texas in Austin [dat de grootste brievenverzameling ter wereld bezit, waaronder brieven van James Joyce, Thomas Beckett, Oscar Wilde, red.]. Voor historici, biografen, archivarissen, is dit een groot dilemma. Steeds vaker zoeken ze al voor iemand sterft contact, bijvoorbeeld met Salman Rushdie, anders gaat het digitale element verloren. De e-mails staan niet in een doos op zolder.”

Daarmee loop je wel het risico dat een schrijver zelfcensuur gaat toepassen, dat hij zijn correspondentie stileert.

„Ja, maar dat was altijd al zo. Cicero wist dat hij dé schrijver van zijn generatie was. Hij ordende zijn brieven, en liet kopieën maken door een klerk. En ook toen briefschrijven modieus werd onder de intelligentsia, in de zeventiende eeuw, wisten schrijvers dat hun correspondentie gepubliceerd kon worden: ze werden steeds meer zelfbewust als ze beroemd werden. ”

Bij de mooiste briefwisseling in Garfields boek was dat niet het geval. Ze werd niet door prominenten geschreven, maar door Chris Baker en Bessie Moore. Hij was een Britse soldaat die naar het front werd gestuurd in de Tweede Wereldoorlog, zij de achterblijvende collega uit het postkantoor. De brieven getuigen van een eerlijkheid, en een bloeiende romance. Ze zijn bijna een novelle, maar waren nooit bedoeld voor een groot publiek.

„Hun zoon Bernard zei me eens dat ze het vreselijk zouden hebben gevonden dat hun brieven gepubliceerd zijn. Dat roept een interessante morele vraag op: is het voldoende als de nabestaanden toestemming geven. Ik vind van wel: het geeft je een inkijkje in het leven in de Tweede Wereldoorlog.” Met Valentijnsdag komt er een apart boek met de hele correspondentie tussen Chris en Bessie uit.

Garfield is regent van Mass Observation, een in 1937 opgericht archief dat beschrijvingen van het alledaagse leven in het Verenigd Koninkrijk bewaart. Het zoekt actief naar brieven, dagboeken en foto’s van gewone Britten. Enkele weken voor Garfield zijn boek moest inleveren, kwam Bernard met de brieven van zijn ouders aan.

„Ik wilde laten zien hoe belangrijk briefschrijven was voor gewone mensen. Als je Virginia Woolf bent, dan zijn er mensen geïnteresseerd in je brieven en kun je er zeker van zijn dat anderen ze bewaren, om literaire redenen of om geld. Maar een brief schrijven was voor iedereen even belangrijk als tandenpoetsen of naar de wc gaan.”

Wat is uw mooiste brievenverzameling?

„Die staat niet in het boek, maar zit in een schoenendoos. Het zijn de brieven die door mijn eerste echte vriendinnetje werden geschreven, toen we zestien waren. Ik heb ze sindsdien niet meer geopend, maar ik weet dat ze absoluut weergeven wat we voelden. Haar handschrift, met potlood geschreven, en in haast. De fysiekheid ervan.”

Is het verdwijnen van briefschrijven terug te draaien?

„Nee. Ik schreef twee eerdere boeken over digitalisering: Precies mijn type, over lettertypes, en Op de kaart, over landkaarten. Door de komst van computers kregen we meer lettertypes, en GPS is een fantastische uitvinding. Voor het brieven schrijven is het moeilijk nu nog een voordeel te verzinnen. Je zou kunnen zeggen dat we drie uur tijd over hebben omdat we niet meer op papier schrijven, maar die spenderen we achter de computer.

„Ik ben heus geen heilige: briefschrijven is een klus.” Garfield vertelt dat hij boven in zijn studeerkamer een hele stapel brieven heeft liggen die nog beantwoord moeten worden. Sinds de publicatie van zijn boek brengt de postbode weer meer dan alleen rekeningen. „Ik schrijf geen enorme epistels, maar je wilt toch langer en persoonlijker antwoorden dan ‘Dank voor uw opmerking’, wat je in een e-mail zou doen.

„Je stelt een antwoord soms uit, maar wanneer ik een brief afheb en op de post doe, heb ik een tevreden gevoel. Het is alsof je een cadeautje stuurt: een brief of een kaart blijft dagen als een prettige herinnering rondslingeren. Bij een mail heb je nooit dat gevoel.

„Zijn wij bereid dat op te geven?” En enigszins vertwijfeld: „Waarom is er niet meer ophef dat het briefschrijven verdwijnt?”