Eindrapport enquêtecommissie

Iedereen heeft schuld aan de schandalen bij de corporaties

Foto ANP

Eén toezichthouder die waakt over alle facetten van woningcorporaties. En die níét onder directe controle van de minister staat. Dat is de belangrijkste aanbeveling van de parlementaire enquêtecommissie die vandaag haar eindrapport presenteert. Deze ‘Woonautoriteit’ moet toezien op de financiën, governance, integriteit en rechtmatigheid bij sociale huisvesters.

Een autoriteit die ook sancties kan opleggen. “Alleen als deze niet onder de minister valt, is er geen risico dat beleid en toezicht opnieuw vermengd worden”, zegt commissie-voorzitter Roland van Vliet. Er ligt op dit moment een voorstel van minister Stef Blok (Wonen, VVD) bij de Tweede Kamer dat het toezicht weliswaar samenvoegt, maar juist onder zijn hoede.

Twee jaar onderzoek van de commissie leverde 1.250 pagina’s op over wat er misging en beter moet in de corporatiesector. Naast de onafhankelijke woonautoriteit wil de commissie dat de sector teruggaat naar zijn “klassieke kerntaak”.

Parlementaire Enquetecommissie Woningcorporaties

Drie vragen over het rapport:

Wat ging er mis?

Aanleiding voor het parlementaire onderzoek was het derivatendrama bij Vestia. Dat illustreert volgens de commissie treffend de valkuilen van de corporatiesector: een bestuur met een vaak te machtige voorzitter, en commissarissen die aan die “dominante” bestuurder geen tegenwicht bieden. Bovendien is het externe toezicht onder de maat.

Dat de politiek corporaties heeft aangemoedigd om ambitie en lef te tonen, is nu “op z’n zachtst gezegd behoorlijk gênant”. Het vertrouwen van de politiek in de zelfregulering was naïef en bij vlagen zelfs dogmatisch, concludeert de commissie.

Hoe kon dit gebeuren?

De commissie deelt de oorzaken op in “de vier G’s”: gedrag, grenzen, governance en geld. De betrokken bestuurders namen alle ruimte die ze kregen – en ja: “gelegenheid maakt de dief”. Er zijn nauwelijks grenzen: onduidelijk is wat corporaties wel en niet moeten doen en hoe groot ze mogen zijn.

Het governancemodel dat de corporaties sinds de verzelfstandiging hebben – bestuurder en raad van commissarissen – werkt niet voor deze sector. Corporaties hebben de vorm van een stichting, maar moeten als bedrijf werken. Vaak met commissarissen die niet competent zijn.

Daarbij beschikken corporaties over heel veel geld dat ze moeten investeren in volkshuisvesting. Dat werkt het oprekken van grenzen in de hand, schrijft de commissie.

Wie faalden er?

Zo ongeveer alle betrokkenen hebben fouten gemaakt. In de eerste plaats de bestuurders en hun commissarissen. Zij hebben “soms op grove wijze” gefaald en het vertrouwen geschaad. De commissie stuitte op mismanagement, manipulatie, het achterhouden van informatie, zelfoverschatting, zonnekoningengedrag, belangenverstrengeling, fraude en zelfverrijking.

Des te erger vindt de commissie het, dat zij tijdens hun verhoren niet of nauwelijks blijk gaven van spijt of bezinning. Zo schrijft de commissie over Vestia dat bestuurder Erik Staal “zijn formele en morele verantwoordelijkheid onvoldoende (h)erkent”. Dat rekent de commissie hem zwaar aan.

De financiële toezichthouder Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) had onvoldoende zicht op de risicovolle producten bij Vestia. Het CFV faalde “op cruciale punten”. Waarborgfonds WSW keurde met zijn “verkeerde ambities en prioriteiten” de fatale derivaten goed. Accountants onderkenden de risico’s onvoldoende. Banken lieten zich meer leiden door commerciële overwegingen dan door de belangen van hun klanten. Brancheorganisatie Aedes wist haar leden niet voldoende te disciplineren.

Tot slot hadden de verantwoordelijke bewindspersonen hun toezicht niet op orde. Zo krijgt toenmalig minister Donner (CDA) ervan langs in de Vestia-casus: dat hij naliet de Kamer te informeren over de problemen en risico’s bij Vestia, staat “op gespannen voet” met de actieve informatieplicht die hij had. De Tweede Kamer heeft te lang niets gedaan. De politiek is te wispelturig geweest en heeft zichzelf daarmee “al bijna twintig jaar buitenspel gezet”.

En dit zijn de aanbevelingen van de commissie-Van Vliet:

Gedrag verbeteren:
• fraude en zelfverrijking moeten hard aangepakt.
• integriteit moet vaker worden doorgelicht.

Grenzen stellen:
• corporaties moeten: terug naar hun kerntaak: het zorgen voor huisvesting van mensen die daar niet zelfstandig toe in staat zijn.
• zich niet langer bezighouden met commerciële nevenactiviteiten.
• niet te groot worden.

Governance versterken:
• er moet één centrale toezichthouder komen: een onafhankelijke Woonautoriteit.
• minister van Wonen moet commissarissen en bestuurders kunnen ontslaan.
• raad van commissarissen moet meer macht krijgen.

Geld beteugelen:
• corporaties moeten failliet kunnen gaan – en dus geen roekeloze risico’s nemen in de wetenschap dat de overheid hen toch wel overeind houdt.
• het waarborgfonds WSW moet onder strikt toezicht van de minister komen.