Finse veelplegers met ‘criminele’ genen

Extreem geweld wordt voor een deel beïnvloed door een paar genen, concluderen Finse genetici na onderzoek onder gevangenen.

Een op de tien ernstige geweldsmisdrijven in Finland zou mede te wijten zijn aan de invloed van genen. Dat concludeert een team van vooral Finse onderzoekers deze week in het blad Molecular Psychiatry. Gevangenen die meermalen veroordeeld waren wegens ernstige geweldsdelicten zoals moord, poging tot moord en zware mishandeling, bleken relatief vaak over varianten te beschikken van twee genen die belangrijke functies vervullen in het brein.

De onderzoekers geven zelf al aan dat het gevonden effect niet groot genoeg is om er een test op te bouwen. Je kunt aan de hand van DNA nog steeds niet voorspellen dat iemand gewelddadig zal zijn en uiteindelijk in de gevangenis zal belanden. Omgevingsfactoren spelen een veel grotere rol in het crimineel worden van mensen.

Klinisch geneticus Han Brunner van Radboud UMC in Nijmegen vindt de Finse studie mede daarom nog „preliminair”. „De variant die zij aanwijzen in een van die twee genen, MAOA, komt voor bij 40 procent van de normale bevolking en is dus zeker geen doorslaggevende factor.”

Variaties in deze genen, aangeduid met de afkortingen MAOA en CDH13, zijn al eerder in verband zijn gebracht met gewelddadig en impulsief gedrag. Mensen met een genvariant van MAOA breken de boodschapperstof dopamine in de hersenen vertraagd af, wat kan leiden tot ongecontroleerd en agressief gedrag. De andere variant, CDH13, geldt als het belangrijkste gen achter ADHD. Een verminderde functie van dit gen leidt ertoe dat neuronen in de hersenen minder verbindingen vormen, wat kan leiden tot een grotere impulsiviteit.

De onderzoekers zochten naar verbanden in genetische variatie en gewelddadigheid bij 794 veroordeelde misdadigers uit 19 verschillende gevangenissen in Finland. Hiervan golden er 84 als extreem gewelddadig (met meer dan tien veroordelingen voor ernstige geweldsdelicten). Vooral in die laatste groep bleken varianten van MAOA en CDH13 significant vaker voor te komen.

Om te controleren of deze genvarianten inderdaad vaker voorkomen bij plegers van extreem geweld, bekeken de onderzoekers in hoeverre een groep van 103 veroordeelde moordenaars (allen mannen) deze hadden. Die bleken significant vaker deze varianten te bezitten, zij het minder vaak dan de draaideurgeweldplegers waarmee het onderzoek begon.

De genetische informatie kan dus niet leiden tot een ‘test’ maar kan wel nuttig zijn om te bepalen wie extra nazorg nodig heeft na de gevangenisstraf. Wie de twee genvarianten heeft, zou strenger verplicht behandeld kunnen worden met anti-alcoholmiddelen disulfiram of langwerkende naltrexon.

Alcohol en amfetaminen zijn namelijk vaak in het spel op het moment dat deze mensen over de schreef gaan. Deze stimuleren de afgifte van dopamine in de hersenen. Juist bij mensen met dit genetische profiel versterkt dat de extreme agressiviteit.