Fantaseren uit pure zelfverdediging

Arjen Fortuin grasduint door een stapel recent verschenen brievenboeken en doet kort verslag.

Het uitgeven van brievenboeken is in de praktijk vaak het terrein van kleine uitgevers, waar de boeken worden volgepompt met liefdewerk – en waar men ook wel weet dat er geen gouden bergen in het verschiet liggen. Zelfs niet als ze zijn geschreven door grote namen uit de Nederlandse letteren, als Jeroen Brouwers (1940) en Gerrit Komrij (1944-2012). Nu was hun correspondentie ook een faliekante mislukking, schrijft Brouwers in zijn aan de inmiddels overleden Komrij gerichte inleiding: ‘Alleen: jij bleek helemaal geen briefschrijver te zijn. Je kreeg er in zes jaar tijd geen tien op papier.’

Brouwers, groot brievenschrijver, heeft nergens last van. Zijn brieven zijn een genot, bijvoorbeeld wanneer zijn huis in Exel wordt verbouwd: ‘Mijn tuin, parkachtig anders in dit jaargetij, is een ellendige woestenij: het werkvolk ontziet mijn rozenperk niet, mijn gazons niet, mijn heesters niet, mijn bloempjes niet, mijn niks niet. De vorkheftruc, afgeladen met dakpannen, rijdt door mijn groentebedden en anemonen, ach, dat doet mij zeer.’ En Komrij? Die weet zijn letter’s block in elk geval fraai te verwoorden: ‘Maar tegelijkertijd is het of ik leegloop als een gasbel, of er veel oude, stinkende lucht met een dreun aan me ontsnapt, en me vredig, zij het ietwat schaapachtig, achterlaat.’ Een werkelijke uitdaging van alle wetten in de boekenvak – en alleen al daarom een prijs waard – is de uitgave Selbstfindung, de brieven die de betreurde dichter C. O. Jellema (1936-2003) schreef aan de vijf jaar oudere Duitse theoloog Hans-Hermann Röhrig, voor wie hij vanaf 1955 een tamelijk wanhopige liefde koesterde. Wanhopig, omdat Jellema zijn homoseksualiteit niet durfde toe te geven en de heteroseksuele Röhrig geen idee had wat zijn Hollandse vriend bezielde. In dat licht zijn de brieven hartverscheurend, bijvoorbeeld wanneer Jellema na een bezoek aan Röhrig probeert een aandenken los te bedelen. ‘Lieber Hans, ik heb nog een wens, die ik je enkele dagen geleden al kenbaar wilde maken; dat is deze: ik bezit geen enkele foto van je en nu had ik erg graag, dat je mij bij gelegenheid er een schonk. Het is een hartewens, want ik geloof niet, dat ik je binnenkort nog zal zien.’

En meteen er achteraan: ‘Zoals beloofd, stuur ik je het beste Hollandse middel tegen haaruitval. De kapper wist zelfs gevallen te noemen, die, hoewel ze reeds grotendeels kaal waren, met dit middel al hun haar hebben teruggekregen [...] De gebruiksaanwijzing: men massere de hoofdhuid om de twee dagen met Stilbépan in; per keer is niet veel vloeistof nodig. Vooral goed inwrijven. Veel succes!’ Ach, die onbeantwoorde liefde!

De brieven zijn grotendeels in het Duits uitgegeven, met een uitgebreide toelichting en relevante gedichten van Jellema.

Soms is de brief een stijlmiddel, zoals in het geval van Juli Zehs Briefroman, die in weerwil van de titel brief noch roman is, maar een essay. Zeh (1974) zet daarin haar ideeën over het schrijverschap uiteen, al begint het boek met een weigering wanneer de in 2006 met Speeldrift doorgebroken schrijfster ‘beste uitgever’ schrijft: ‘Vergeet het maar. Geen sprake van. Je bent of schrijver, of je bezit een ‘poëtica’. Ik ben toch niet mijn eigen keuzevak Duits?’

Het weerhoudt haar er uiteraard niet van om tal van interessante dingen te zeggen, al dan niet poëticaal. Bijvoorbeeld: ‘Misschien kent u het gevoel wel: hoe onbehagen bij het lezen van een goed essay in één keer omslaat in euforie. Hoe groot de opluchting is als de tekst niet buigt voor de vermeende domheid van de lezer.’

Waarna haar essay zo verhalend wordt, dat het toch nog iets van een roman krijgt, onder meer door de wijze waarop ze vertelt hoe de verbeelding vat kreeg op haar geest, op de achterbank van de auto tijdens familievakanties: ‘Voorin ruziën mijn ouders over de meest logische route naar onze eindbestemming; achterin zit ik naast mijn jengelende broertje, op mijn knieën de caviakooi, veertig graden hitte, geen airco en veertien uur rijden voor de boeg. Tot overmaat van ramp heb ik last van wagenziekte [...] In een dergelijke situatie is fantaseren pure zelfverdediging.’ Dat is het in de meeste situaties, denk ik eigenlijk.

Wie ook al niet graag boog voor de vermeende domheid van de lezer, was Vladimir Nabokov. Zijn brieven aan zijn echtgenote Véra zijn onlangs in een mooie verzameling verschenen: Letters to Véra. Het merendeel van die brieven – de antwoorden erop heeft Véra vernietigd – dateert uit de periode 1923-’39, waarin beiden in ballingschap in Berlijn en Parijs leven.

In Berlijn is Nabokov de rijzende ster in de wereld van de emigrantenliteratuur. Zijn brieven aan Véra sprankelen van de over elkaar tuimelende liefdesbetuigingen, waarin je de beginzin uit de latere succesroman Lolita makkelijk herkent: ‘Mijn heerlijkheid, mijn liefde, mijn leven...’ Daarna volgt vaak een verslag van Nabokovs inspanningen om zijn literaire werk aan de man te brengen. Door de poëtische brieven hardop te lezen, hoor je het muzikale Russisch er doorheen klinken.

Het gelukkige huwelijk van de Nabokovs straalt van het papier. De enige smet is de affaire van de schrijver met een andere Russische emigrante in 1937, die door Nabokovs biograaf Brian Boyd ten onrechte wordt gebagatelliseerd. In de brieven kun je namelijk meteen de veranderende toon opmerken, die Nabokov jegens Véra aanslaat.

M.m.v. Michel Krielaars