Een schatkamer vol gruwelen

Beelden van rompen zonder hoofd, met lang paardehaar, tekeningen: Berlinde De Bruyckere toont in Gent een overtuigende catalogus van verlangen, onmacht, angsten en pijn.

Berlinde De Bruyckere: Hanne (2003)
Berlinde De Bruyckere: Hanne (2003) Foto Mirjam Devriendt

Als het piepjonge mensje wordt geboren, is alles nog vloeiend. Kleuren, licht, smaak en geur lopen in elkaar over. Mond, neus, huid, vingers, papa, mama en kind zijn in dit ultraprille begin verlengstuk van elkaar. Althans, gezien vanuit het larfje in luiers. Dat maakt nog geen onderscheid tussen ‘ik’ en ‘jij’, ‘hem’ of ‘haar’, ‘mijn’ en ‘hun’. De wereld is nog één smachtend, etend en verterend zijn.

In het beeldend oeuvre van de Belgische kunstenaar Berlinde De Bruyckere (1964) heet die status van gulzige hartstocht: ‘Aaneen’, ‘In elkaar’, of ‘Aaneen-genaaid’. Het zijn titels van mensfiguren die de kunstenaar sinds een jaar of vijftien maakt van was, gips, hout, paardenhaar; soms ook tekent ze ze met potlood en aquarel. Ze verwijzen allemaal naar die vroege status van ‘heel-zijn’, een fase, zoals De Brucykere zelf weleens heeft gezegd, waarin „hoofd en hart nog niet zijn gescheiden”. De Bruyckeres wezens kunnen niet horen of zien. Ze hebben geen hoofd, geen ogen, geen oren – en als ze wel een hoofd hebben, dan zit dat verstopt onder een stapel dekens of onder een vracht meterslange haren. Naar. Onprettig. Verstikkend.

Berlinde De Bruyckere is geboren in Gent en wordt nu in het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (S.M.A.K.) geëerd met een eerste, groot overzicht dat vergezeld gaat van een vuistdikke monografie. Dit overzicht – een ‘doorbloede’ combinatie van beelden en tekeningen van de afgelopen veertien jaar – is zo uitgewogen en sereen, zo compleet in de series die in de loop der jaren zijn ontstaan en nu weer bij elkaar komen, dat je, dwalend van museumzaal naar museumzaal, bladerend van hoofdstuk naar hoofdstuk, het gevoel krijgt op onderzoek te gaan in een schatkamer. Die schatkamer zit vol gruwelen, verdrongen angsten, onbevredigde verlangens, onmacht en hulpeloosheid. Dat klinkt tegenstrijdig – een wonderkamer die tegelijkertijd pandemonium is, in Gent is die combinatie volstrekt geloofwaardig.

Paukenslag

De tentoonstelling begint met een paukenslag: het kolossale beeld Kreupelhout (2012-2013) dat de kunstenaar vorig jaar in het Belgisch paviljoen op de Biënnale van Venetië toonde. Toen was dit beeld half in het duister te zien. Nu Kreupelhout in Gent in vol licht staat, is goed zichtbaar hoe dubbelzinnig de titel is. Alles is van kunsthars, was, stukken leer, katoen, dekens. De takken van de gigant hebben een grijzige, purperen waas, alsof op sommige plekken bloeduitstortingen in het ‘hout’ zitten. Op takken en knotten zitten bandages, sommige groot, andere ontroerend klein. De mastodont die Kreupelhout heet, is gekwetst. Maar iemand heeft hem opgeraapt en verzorgt hem nu teder. Kijk, daar zit nog een plekje, daar kan nog een pleister om.

Die combinatie van kwetsen en verbinden, van geweld en zachtheid, van afstoten en aantrekken, en in het algemeen, van het verlies van leven dat wordt bezongen in de dood, vind je in alle zalen daarna terug. De Bruyckeres inspiratiebronnen zijn legio. Ovidius’ mythe van Diana en Actaeon – de onfortuinlijke jager die de godin van de jacht bespiedde en voor straf veranderde in een hert dat werd verslonden door zijn eigen jachthonden – krijgt vorm in een serie maanbleke geweien van was aan de muur en in de prachtige reeks tekeningen Romeu ‘My Deer’ (2010-2011).

Deze tekeningen van aquarel, potlood en collages zijn zelfstandige kunstwerkjes waarin de wrede metamorfose die Ovidius zo poëtisch beschrijft almaar abstracter wordt uitgebeeld. Het ‘wrekende water’ waarmee Diana Actaeons gezicht besprenkelt waardoor hij zijn spraak verliest, Actaeons nek die wordt uitgerekt door Diana, de toppen van zijn oren die worden gespitst, de horens die op zijn hoofd worden geplant, zijn huid die wordt bespikkeld – nergens worden De Bruyckeres tekeningen illustratief.

Als een pitbull in zijn tennisbal, zo bijt De Bruyckere zich vast in haar inspiratiebronnen. Steeds weer keert ze naar ze terug, alsof ze niet zonder kán, als ze al zou willen. Die innerlijke strijd zie je terug in al haar werk. Lucas Cranachs treurige Man van Smarten komt op tientallen manieren terug in de getormenteerde, wassen rompen die op palen te kijk staan of zijn weggestopt in een vitrinekast. Hetzelfde geldt voor de beelden van paarden, waarvoor De Bruyckere niet minder dan een obsessie heeft opgevat. Haar archief van foto’s uit de Eerste Wereldoorlog van paarden verstrikt in prikkeldraadversperringen, uiteengereten door granaten en stervend achtergelaten langs de kant van de weg, dijt nog steeds uit.

Paardenbeelden

In de ‘paardenbeelden’ – haar meest surrealistische en bekendste werk – vertaalt ze die foto’s als herinnering. Ze hangt de dieren hoog in de bomen, laat ze aan één poot bijna gevierendeeld zien, kwakt ze neer op uitstaltafels of propt ze in vitrinekasten. Ogen, oren, mond en neus zijn dichtgenaaid. Elke vorm van communicatie die deze wezens met de buitenwereld zouden kunnen hebben, is rigoureus afgesneden en dichtgenaaid. Lost heten veel van haar ‘paarden’. Ze zijn verloren ja, maar wel genummerd.

De tentoonstelling in het S.M.A.K. verwijst niet naar De Bruyckeres persoonlijke geschiedenis. Dat is enerzijds mooi, want daardoor kun je je als bezoeker uitsluitend onderdompelen in die schatkamer. Maar het is ook een gemis.

Ze was vijf jaar, vertelde ze een paar jaar geleden, en haar ouders stuurden haar naar het internaat. Ze was linkshandig, een kenmerk dat in de jaren zestig in België en Nederland nog gecorrigeerd moest worden. Een klap op je vingers als je links schreef, je linkerhand gebonden op je rug. De Bruyckere werd door de nonnen gedwongen haar linkerhand te ‘vergeten’. Ze begon te stotteren. En na het gestotter begon het bedplassen. Hoon, schaamte, boosheid bij de katholieke leidsters. Iedere ochtend opnieuw hingen de natte lakens over De Bruyckeres slaapvertrek publiekelijk ten toon voor alle andere kinderen. „Al dit leidde tot een grote eenzaamheid”, schrijft De Bruyckere in 2012 kalm in een catalogus. Die eenzaamheid werd „waarschijnlijk” haar reden om te scheppen. „Ik begon te tekenen toen ik vijf was. Om te ontsnappen. Aan een wrede werkelijkheid. Bij het tekenen was alles mogelijk. Mijn verbeelding was mijn redding.”

De Bruyckeres beelden en tekeningen zijn even gloedvolle als systematische pogingen om haar eigen demonen te bezweren. Dat doet ze op zo’n virtuoze manier dat ze die van ons ook meeneemt in haar poging. Ze redt wat er te redden valt. Dit in de wetenschap dat geen enkele poging zal slagen, geen enkele redding zal lukken. Althans, ‘waarschijnlijk’ – zou ze daar zelf aan toevoegen.