Een museum op de Killing Fields

In Phnom Penh moet een centrum verrijzen ter herdenking van de gruwelijke terreur van de Rode Khmer.

Tussen de bedrukte gezichten van toeristen op de binnenplaats van de beruchte S21-gevangenis in de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh vallen Meas Kosal en zijn klasgenoten op. Op de plek waar de Rode Khmer tussen 1975 en 1979 ruim 18.000 Cambodjanen martelden – slechts 200 kwamen er levend uit – lacht de 16-jarige scholier hardop met een medescholier.

Zijn de twee niet onder de indruk? „Natuurlijk wel. Het is belangrijk hier te komen en de pijn te zien. Maar we zijn hier al vaak op schoolreisje geweest”, zegt Meas Kosal. Hij behoort duidelijk tot een nieuwe generatie van jongens en meisjes die je in de betere wijken van Phnom Penh ziet. Zij hebben het gruwelijke regime van de Rode Khmer niet meegemaakt, net zo min als de burgeroorlog die tot de jaren ’90 duurde. Zij drinken espresso’s in designcafés waar ze openlijk flirten en eindeloos staren op hun iPhones.

Van een afstandje bekijkt gids Daro Vann hoe de schoolklas moeite heeft zich gepast te gedragen op de Killing Fields. „Zij weten niks. Dit land is nog altijd diep en diep verdeeld en gekwetst, alleen nemen zij de moeite niet zich er in te verdiepen”, zegt ze. Tranen wellen op in haar ogen. Ze was veertien toen haar ouders door kindsoldaten van de Rode Khmer werden vermoord. Zelf werd ze hard geslagen met een bamboestok. Ze raakte alles kwijt en geeft nu rondleidingen door de vroegere martelgevangenis. Daro Vann en Meas Kosal belichamen de kloof die veertig jaar na de genocide door Cambodja loopt.

Deze maand markeert het begin van een bijzonder initiatief dat juist die kloof in Cambodja moet dichten. De Brits-Iraakse architect Zaha Hadid heeft toegezegd een centrum te ontwerpen dat een museum, documentatiecentrum en bibliotheek moet huisvesten. Voor het bouwwerk, dat een monument moet zijn voor het dieptepunt in de Cambodjaanse geschiedenis, laat Hadid zich inspireren door de geometrische vormen van het hoogtepunt van de beschaving: de tempels van Angkor, de hoofdstad van het koninkrijk van de Khmer dat van de negende tot de veertiende eeuw strekte van de Golf van Bengalen tot de Zuid-Chinese Zee. „Het moet een plek worden waar Cambodjanen trots kunnen zijn op het feit dat ze Cambodjaan zijn. En het moet een spirituele plek worden, waar slachtoffers en nabestaanden rust kunnen vinden. De tempels van Angkor zijn dat”, zegt Youk Chhang, directeur van het Documentation Center of Cambodia, een onderzoeksinstelling die in 1995 is opgericht.

Youk Chhang kan meepraten over de behoefte aan een spirituele plek. Hij zag hoe Rode Khmer-strijders de maag van zijn zus opensneden omdat ze vermoedden dat zij rijst had gestolen. Hij hoopt dat het documentatiecentrum meer wordt dan een plek om de gruwelijkheden te betreuren. „De jonge generatie van nu kan niet garanderen dat er geen genocide meer komt. Zij zijn niet inherent beter dan de generatie van toen. Geweld op die schaal is van alle tijden, ook buiten Cambodja. Azië accepteert en omarmt zijn verleden zeer moeizaam. Helaas is het een continent van geweld”, zegt Youk Chhang.

Het centrum zal rond 27 miljoen euro kosten. Youk Chhang is met medewerkers heel Cambodja doorgetrokken om van dorpen, hoe arm dan ook, bijdragen, hoe klein dan ook, te vragen. Het centrum moet eigendom zijn van de slachtoffers en de gemeenschap. Maar ook buitenlands geld is nodig. De Amerikaanse ontwikkelingssamenwerkingsclub USAID heeft geld toegezegd. Youk Chhang hoopt dat de Nederlandse regering eveneens wil bijdragen. „Met de huisvesting van het Internationaal Strafhof en het Joegoslaviëtribunaal maakt Nederland duidelijk mensenrechten belangrijk te vinden. Ons steunen zou daarin passen”, zegt de Cambodjaanse directeur.

Een van de belangrijkste taken van het centrum wordt toegang bieden tot de miljoen foto’s, brieven en dienstorders die het Documentation Center of Cambodia door de jaren heen verzameld heeft over de tienduizenden massagraven, martelplaatsen en geheime gevangenissen die destijds in Cambodja bestonden. Hoe meer informatie er beschikbaar is, hoe meer verzoening er kan zijn, is de gedachte.

In de S21-gevangenis lijkt die gedachte te kloppen. Gids Daro Vann wordt boos als we het over het Cambodjatribunaal hebben. „Er is nog geen gerechtigheid. Het tribunaal pakt nog geen handvol mensen aan. Dat heeft de politiek zo geregeld. Hun Sen, onze president, was zelf lid van de Rode Khmer”, zegt ze. Alleen omdat de hoogbejaarde Rode Khmer-ideoloog Nuon Chea en voormalig staatshoofd Khieu Samphan berecht worden, weet zij niet wie haar vader, voor de genocide lid van het parlement, en haar moeder heeft vermoord. Waar en hoe blijven ook mistig.

In zekere zin beleeft het tribunaal na veel problemen juist een hoogtepunt. Op 17 oktober ging het tweede proces tegen Rode Khmer-kopstukken Nuon Chea (88) en Khieu Samphan (83) van start. De twee zijn in augustus veroordeeld tot levenslang wegens misdaden tegen de menselijkheid. Nu staan ze opnieuw terecht, ditmaal voor onder meer genocide, het zwaarste misdrijf dat het internationaal strafrecht kent.

Voor Daro Vann is het fijnproeverij voor juristen. Zij haalt een zakdoek uit haar handtas en dept haar ogen. Ze loopt, nog altijd mank, naar de uitgang van de gevangenis om voor de zoveelste keer aan wie het maar horen wil uit te leggen wat er toen met haar is gebeurd.