Opinie

Eén klap en je bank valt nog steeds om

Standaardscène in vijf jaar eurocrisis: de spanning loopt op, een daadkrachtig compromis wordt bereikt en juichend en opgelucht ontvangen. Optimisme grijpt om zich heen. Om vervolgens om te slaan in even grote scepsis als daarvóór.

Datzelfde gebeurt nu met de asset quality review en stresstests van de Europese centrale Bank, waarvan de geruststellende resultaten zondag bekend werden gemaakt.

Inmiddels is er kritiek. Had het bankroet van een euroland, en dus de val van de staatsobligaties van dat land, niet in het scenario van de stresstest moeten staan? Zo’n gebeurtenis is zeker niet ondenkbaar, en staatsobligaties maken een fors deel uit van het bezit van banken. Er zijn ook critici die een scenario missen van langdurige deflatie – zeker niet ondenkbaar.

Belangrijker is het argument dat Satyajit Das, een voormalige bankier en publicist, gisteren gaf. Stresstests gaan volgens hem over exogene schokken, gebeurtenissen in de reële economie die een bank kunnen raken. Maar een veel groter gevaar schuilt in endogene schokken: gebeurtenissen op de financiële markten zelf, die zo complex en omvangrijk zijn geworden dat zij zonder prikkel van buiten zomaar op hol kunnen slaan.

De stresstests zijn dus eigenlijk niet compleet geweest. Wie Das’ argument doorzet zal concluderen dat ze ook nooit compleet kunnen zijn. Want marktcrises vallen onder de categorie unknown unknowns: het enige wat je kunt doen is er zo goed mogelijk op voorbereid zijn.

Is er dan óók voldoende vermogen bij de banken? Dat ligt er aan hoe je telt. In de meest moderne vorm is dat ‘CET1-ratio’ (common equity tier one). Dat is het ‘kernkapitaal’ van een bank als percentage van het balanstotaal. Maar dat balanstotaal is niet écht het balanstotaal. Alle leningen, financieringen en beleggingen die een bank heeft uitstaan worden gewogen naar hun risico. Hoe lager het risico, hoe minder ze meetellen bij de berekening van het benodigde kapitaal.

Er is één kille berekening zonder veel fratsen die aangeeft hoeveel je eigen vermogen is als percentage van je daadwerkelijke balanstotaal. Dat is de zogenoemde ‘leverage ratio’. En die is altijd een stuk lager. Als je als bank een CET1-ratio hebt van 11 procent, kan het zomaar zijn dat je leverage ratio maar 5 procent is.

Hoe zit dat in de eurolanden? De ECB publiceerde ook de leverage ratio’s van alle banken in de eurozone. Bijna de helft zit tussen de 5 en 10 procent. Maar Nederlandse (en Belgische) banken – ‘met vlag en wimpel geslaagd voor de stresstest’ – zitten het laagst van iedereen: tussen de 3 en 4 procent. Uit de krochten van het ECB-onderzoek: Rabo: 4,39 procent. ING: 3,27 procent. ABN Amro 3,23 procent. Brrr.

H oogleraar (en voorzitter van de bankraad van toezichthouder De Nederlandsche Bank) Arnoud Boot betwijfelde dinsdag al de stootvastheid van de banken. Minister Dijsselbloem van Financiën wil de minimum leverage ratio verhogen van 3 naar 4 procent. Maar zelfs dat is mondjesmaat. In het VK wil de Bank of England naar 5 procent – en de City schreeuwt al moord en brand. In de VS wordt 5 procent voorgesteld voor de grootste banken, en 6 procent voor hun dochterondernemingen.

Het pleidooi hier: méér graag. Want stel dat je in een situatie terechtkomt waarin álles van waarde weerloos wordt? Waarin de werkelijkheid zich niet houdt aan je risicomodel? Daar zit je dan met je keurige gewogen berekening, die aangaf dat er toch écht voldoende kapitaal was – waarna je tot je eigen verbijstering toch omvalt. ABN Amro leent nu iedere euro die zij bezit 31 keer uit. 31 keer. Willen we dat?