Durf sterker dan de dood te zijn

De eerste christenen, in het Romeinse Rijk, vluchtten niet voor epidemieën. Rikko Voorberg neemt een voorbeeld aan hen.

illustratie anne caesar van wieren

Er ligt een vrouw op straat. Ze schokt wat. Mensen lopen met een boog om haar heen. We horen iemand bellen met de hulpdienst. Maar of die komt? Dat weet niemand. Koortsige ogen zien de passerende medemens terugdeinzen, vol angst en afschuw. Dan breken de ogen en blaast de vrouw haar laatste adem uit. De dodelijke ziekte heeft weer een slachtoffer geëist.

Het virus maakte van haar een melaatse. Zelfs voor haar dierbaren is ze niet langer vrouw of moeder of dochter, maar een dodelijke bedreiging. Een monster. Tegen de avond nemen mannen het lijf mee. Ze tonen respect, ze komen in pakken. Met deze vrouw valt niet te spotten, haar lijf herbergt het virus. Wie ze was, is niet meer relevant. Ze is nu levensgevaarlijk.

Het leven heeft een dramatische wending genomen in West-Afrika, het gebied dat wij soms zo romantisch associëren met armoede, sterke familiebanden en een groot gemeenschapsgevoel. Dat leven wordt nu verwoest door een virus dat door de samenleving woekert. Behalve individuele levens vernietigt het ook menselijkheid, moraal en geloof.

Tropenartsen worden met spoed teruggehaald naar Nederland. Niet alleen artsen die mogelijk besmet zijn, ook anderen. Uit voorzorg. Zij moeten hier wachten tot de ergste epidemie voorbij is. Het gevaar is te groot. Daar wringt iets. Het mag logisch, rationeel zijn dat je geen artsen inzet in een strijd die niet te winnen lijkt. Maar toch wringt het.

In de eerste eeuwen van onze jaartellingen woekerden er nog veel grotere epidemieën door het Romeinse Rijk. Sommige bronnen stellen dat eenderde van de bevolking overleed. Welgestelden, politici, artsen – iedereen die genoeg geld of een netwerk had om te vertrekken, maakte zich uit de voeten. De mens moest wachten tot de dodelijke honger van het monster was gestild. Besmette familieleden werden halfdood achtergelaten. Niemand verwachtte dat je bleef.

Er was geen priester van de goden die opriep zorg te verlenen. De goden verleenden wel gunsten, maar konden geen opofferende liefde vragen. Dat hoorde niet bij het systeem.

Zij bleven. Zij zorgden. Zij stierven

De voortwoekerende epidemie bracht een kleine, nieuwe levensovertuiging aan het licht. Het waren de zogeheten christenen, een marginale groep in het grote Romeins Rijk. Zij bleven. Zij zorgden. Zij stierven. Of bleven leven. Het maakte hen niet uit. De dood was voor hen slechts een overgang naar een nieuw bestaan. En hun God vroeg geen offers. Die kon je dienen door voor een ander te zorgen.

Het is deze groep die onze cultuur diepgaand heeft beïnvloed. Zij droegen een virus over dat ons geweten soms nog parten speelt. Dat ons vraagt of we niet gewoon ons leven op het spel moeten zetten. Gelukkig is er dan de wetenschap die ons voor dergelijke waanzin behoedt.

Als een minister het toch nog waagt een moreel beroep te doen op mensen om naar de besmette gebieden van Afrika te gaan, zijn we er nog niet. De verzekeraar vraagt dan namelijk wie dat gaat betalen. Wie draait er op voor de risico’s die deze mensen nemen. Een aanvullende verzekering afsluiten – dat is er wat hen betreft niet bij. Zoek je zelf het gevaar, dan moet je zelf ook maar opdraaien voor de kosten die jouw repatriëring met zich meebrengt.

Doden niet op straat gooien

Volgens hoogleraar sociologie en vergelijkend godsdienstwetenschapper Rodney Stark (Universiteit van Washington) zijn de epidemieën een belangrijke verklaring voor de snelle groei van het christendom in de eerste eeuwen. Rijken ontvluchtten de steden, christenen verzorgden de zieken. Velen stierven, anderen bleven leven, maar weggaan was geen optie voor hen. Zij hadden geleerd dat je de zieken moest verzorgen en de doden begraven, niet zomaar op straat gooien. Achteraf bleek deze hygiëne een belangrijke remmer van de epidemie.

Ook vandaag vluchten wij voor de dood, terwijl onze cultuur toch wortelt in de levensovertuiging van christenen die bij de stervenden bleven. Is, met het cultiveren van het christendom, een belangrijk onderdeel ervan gestorven?

Ik sta in deze traditie als christelijk theoloog. En vraag me af of ik nog wel hetzelfde geloof als waar die eerste christenen in geloofden. Ik vraag me af of de kerken en gemeenschappen met wie ik dit verhaal deel, het verhaal van het vroege christendom, nog wel echt hierin geloven.

De foto’s in kranten van stervende mensen staan op mijn netvlies gebrand. De mensen om hen heen deinzen terug. Een man in pak bespuit het lijk met desinfectiemiddel.

Dan doet mijn vrouw mij opschrikken uit mijn overpeinzing: wat zou jij doen dan? In haar vraag hoor ik een verwijt over mijn idealisme en een oproep ook aan de verantwoordelijkheid voor mijn gezin te denken. Voor een onbekende je leven wagen, omdat je vindt dat zij niet eenzaam dood mag gaan, met het risico je gezin alleen achter te laten – dat is niet verheven, dat is immoreel, toch?

Ik zou willen dat ik bij die stervende vrouw ging zitten. En dat er dan in mijn ogen niet de angst te lezen staat voor de ziekte die haar velt, maar liefde voor haar als mens. Ik zou willen dat ik niet bang ben om dood te gaan. Ik zou willen dat ik die waarden deel met een gemeenschap, zodat mijn gezin helemaal niet alleen achterblijft als ik overlijd aan de gevolgen van deze medemenselijkheid.

Onze cultuur is mede gevormd door doodsverachting van deze kleine groep volgelingen van Jezus van Nazareth. Wij zijn dankbaar voor de mensenrechten en de welvaartsstaat die we mede hieraan te danken hebben.

Inmiddels hebben we het radicale vloertje eronderuit getrokken. Voor normen en waarden hoef je niet per se te geloven, toch?

Maar nu vluchten we weg uit ebola-landen. We verzekeren geen dappere artsen meer. We zorgen voor onszelf en onze eigen mensen. Natuurlijk, we geloven in liefde, maar soms doemt iets op waarin je je meerdere moet erkennen. Zo is het leven, zo is de dood. Tenzij.