De tegenstelling tussen winnaars en verliezers is springstof voor populisten

Auteurs rapport WRR en SCP

Nu het geloof als bindende factor is verdwenen, drijven hoog- en laagopgeleiden uiteen. „Zijn er nog wel genoeg ontmoetingsplekken?”

Foto Kees van de Veen

Hoogopgeleiden in Nederland willen steeds minder te maken hebben met lageropgeleiden. En die laagopgeleiden leven geïsoleerder, aan de rand van de stad of in de periferie van het land – met steeds minder gevoel van eigenwaarde. Proud to be Working Class? Dat kom je nauwelijks nog tegen, zegt Mark Bovens van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Lageropgeleiden zijn ontevreden over hun prestaties, en hun wantrouwen stijgt over migratie, Europa, open grenzen. „Als populistische politici die tegenstellingen gaan uitvergroten”, zegt zijn collega Paul Dekker van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), „heb je springstof.”

Het SCP en de WRR presenteren vandaag het boek Gescheiden Werelden? over sociaal-culturele tegenstellingen. In tien ‘verkenningen’ beschrijven wetenschappers de trend naar sociale segregatie in Nederland. Ze willen waarschuwen voor de gevolgen. Het schrikbeeld zijn de Verenigde Staten, waar polarisatie het land soms al bestuurlijk platlegt.

De nieuwe scheidslijnen in Nederland die de twee bureaus laten zien op basis van enquêtes en langlopend onderzoek, gaan vooral over diploma’s: wie hbo of universiteit heeft gedaan, twijfelt minder over de eigen invloed op politiek en bestuur en ziet migratie en de Europese eenwording vooral als verrijking.

In een werkkamer bij de WRR zeggen Bovens en zijn SCP-collega Paul Dekker dat er „veel ongemak” bleek uit de studies. Bovens: „Vooral hoogopgeleiden sluiten zich in hun eigen kring op. Hun ongemak zit erin dat ze neerkijken op de laagopgeleiden, maar dat niet durven zeggen, door het gelijkheidsethos. Maar ook de laagopgeleiden voelen zich ongemakkelijk. Anders dan bij de tegenstelling tussen katholiek en protestant of arbeid en kapitaal is laagopgeleid niets om trots op te zijn.”

Die tegenstelling is nieuw?

Bovens: „Er zijn een paar markeringspunten. Door de ontzuiling van veertig jaar geleden is religie als belangrijke tegenstelling weggevallen. Het aantal opgeleiden is sinds de jaren zeventig en tachtig enorm gegroeid. In de jaren zestig had 1 procent van de bevolking universiteit of hbo, nu zo’n 30 procent. En je hebt de opkomst van groene en sociaal-liberale partijen als GroenLinks en D66, tegenover de meer nationalistisch georiënteerde partijen als de SP en de opkomst van LPF en PVV. Het is een combinatie van opleiding, opvattingen en gevoel: de ene kant is in de winning mood en vol zelfvertrouwen over de politiek en ziet weinig conflicten. De andere kant kun je zien als verliezers van de globalisering. Die groep voelt zich bedreigd door bijvoorbeeld migratie en heeft alle reden om wél conflicten te zien.”

Is het erg als die groepen minder met elkaar te maken hebben?

Bovens: „Bij de laagopgeleiden kan het wantrouwen leiden tot apathie en vervreemding, tot niet-stemmen. Dat kan tot heel onprettige situaties leiden, vooral als daar sociale segregatie bij komt. Onze belangrijkste zorg is dat mensen die andere groep niet meer tegenkomen en alleen nog de eigen standpunten en ideeën horen.” Dekker: „Je ziet dat mensen geneigd zijn om te zoeken naar bevestiging in de eigen ideeën en met verschillende feiten gaan leven: ‘Dit is het geval’ en dat weten ze dan helemaal zeker.”

Dat is wat nu al gebeurt?

Bovens: „Er is al iets van selectieve blootstelling aan nieuws. Maar het goede nieuws uit onze verkenningen is dat dit niet voor alle media geldt: naar het NOS Journaal kijken eigenlijk alle groepen. Dus je hebt niet zoals in de VS dat iedere groep zijn eigen nieuwsbron heeft en volledig in het eigen gelijk wordt bevestigd. Het kan wel zo zijn dat jongere generaties niet meer naar de tv kijken en vooral internet gebruiken, waar je je makkelijker opsluit in eigen nieuwsgemeenschappen. Uit ons onderzoek blijkt dat nu de grote vraag moet zijn: hebben we wel voldoende ontmoetingsplekken, waarbij je van elkaar ziet hoe de ander denkt en leeft?”

Zijn zulke ontmoetingsplekken te bedenken?

Dekker: „Dat is de vraag. Er zijn wel gemeenschappelijke ervaringen en emoties, zoals bij het WK voetbal en de MH17. Dan merk je dat mensen het prettig vinden dat ze niet langs elkaar heen leven. Maar dat verdwijnt snel.”

De scheidslijn tussen laag- en hoogopgeleiden heeft nu minder dan vroeger te maken met een verschil in kansen. Wat moet je als sociaal-democratische partij, als het verheffingsideaal niet meer werkt?

Bovens: „Naarmate een samenleving meer meritocratisch wordt en dubbeltjes echt dubbeltjes blijven, ontstaat op langere termijn de vraag naar sociale rechtvaardigheid: als het een kwestie is van pech of onvermogen, wat is dan nog de legitimiteit van inkomensverschillen? Maar we hebben geen onderzoek gedaan naar de PvdA.” Dekker: „We weten wel dat in die partij de tegenstellingen die wij beschrijven, het sterkst spelen.”

Kun je als politieke partij nog kiezers aantrekken met verschillende opleidingsniveaus?

Dekker: „Dan moet er iets heel anders zijn dat sterk speelt, zoals bij de SGP. Daar is het geloof zo dominant, daar krijg je de grote ondernemer en het hulpje van de slager bij elkaar. Maar als voor een partij globaliseringskwesties overheersend zijn, zie je opleidingsgroepen uit elkaar gaan.”

Kan het conflictdenken bij lageropgeleiden ondermijnend zijn?

Dekker: „Dat kan, maar laten we de bedreigingen en risico’s niet meteen weer aan die kant zoeken. Je kunt het ook omdraaien: is het niet juist bedreigend als je maatschappelijke tegenstellingen ontkent? Dat zie je mensen doen met politiek zelfvertrouwen: ‘Ach, zo diep gaan de tegenstellingen niet, we komen er wel uit.’ Dat is de taal van winnaars. Het stoot mensen af: ‘Niemand ziet de tegenstelling tussen migranten en ons-soort-mensen en wíj zitten ermee’.”