De filmacteurs van Moroni

Niemand schilderde zulke indringende, spannende, levendige koppen als Giovanni Battista Moroni. Vijf eeuwen later lijken Moroni’s portretten nog steeds. Op ons.

Giovanni Battista Moroni, Gian Gerolamo Grumelli ca. 1560, olie op doek. foto Lucretia Moroni Collection Bergamo
Giovanni Battista Moroni, Gian Gerolamo Grumelli ca. 1560, olie op doek. foto Lucretia Moroni Collection Bergamo

De Italiaanse schilder Giovanni Battista Moroni (1521/24-1579/80) is goed vertegenwoordigd in Engeland. Na Bergamo, waar hij een groot deel van zijn werkzame leven doorbracht, is Londen de stad met de meeste schilderijen van zijn hand. De National Gallery heeft er tien, waaronder zijn populairste werk, het Portret van een kleermaker (ca. 1570). Ze hangen meestal in de centrale hal, meteen als je het museum binnenkomt. Beklijvende portretten, met koppen die in hun onomwonden realisme eerder negentiende-eeuws dan renaissancistisch aandoen. Wie ze ziet, krijgt direct behoefte aan meer.

Die behoefte kan nu worden bevredigd in de Londense Royal Academy of Arts, op het eerste grote Moroni-overzicht buiten Italië. De National Gallery leende de kleermaker en twee andere portretten uit, en vanuit de hele wereld kwamen daar nog 35 van zijn schilderijen bij. Ons eigen Rijksmuseum blijkt een mooie late Moroni te hebben, een portret van een vrouw met een subtiel kuiltje in haar wang, een waaier in haar hand en kleding die zo precies geschilderd is als ze geweven en geborduurd moet zijn geweest. Uit Museum Boijmans Van Beuningen is een portret van een kanunnik naar Londen gekomen, dat in Rotterdam helaas al jaren niet meer op zaal heeft gehangen.

Moroni kon dubbelzinnige gezichten schilderen. Gezichten waar je naar blijft kijken omdat je er maar niet achter komt of de geportretteerde ongenaakbaar is of toch best plezierig in de omgang, ironisch of diep vanbinnen toch serieus, weemoedig of opgewekter dan je denkt. Waarschijnlijk is het steeds een beetje van beide. Mensen zijn ingewikkeld, met wisselende stemmingen en gemengde gevoelens, en Moroni wist ze in al hun ingewikkeldheid vast te leggen.

Zijn geportretteerden zijn uit het leven gegrepen, net als die van Holbein, Velázquez en Van Dyck. Goed, ze dragen pofmouwen, mantels met lynxenbont, broeken met een braguette (een kruisstuk dat het geslachtsdeel accentueert) en hoog gesloten kragen met witte friemelrandjes uit een banketbakkersspuit. Maar afgezien van hun kleding zou je ze vandaag tegen het lijf kunnen lopen. Ze zijn vijf eeuwen oud, maar ze leven. Het lijkt of we ze kennen. En zij ons.

De kunsthistoricus Bernard Berenson (1865-1959) noemde Moroni in zijn beroemde boek over de Noord-Italiaanse renaissanceschilders ‘de enige pure portretschilder die Italië ooit heeft voortgebracht’. Dat bedoelde hij niet alleen maar complimenteus. Geen enkele andere schilder, aldus Berenson, was ‘zo weinig inventief, zo onthand, zodra hij niet naar model kon werken’. In Londen zijn nu behalve portretten ook zeven altaarstukken van Moroni te zien, en hoewel het bijzonder is dat zes verschillende kerken die voor de tentoonstelling hebben uitgeleend, moet de bezoeker Berenson gelijk geven. Keurige, onopvallende katholieke schilderijen zijn het. Geijkte composities met Christus, Maria, heiligen, engeltjes. De figuren maken geen indruk en de decors van natuurstenen vloeren, bogen en zuilen zijn ronduit vervelend.

Moroni had weinig fantasie, hij kon niet uit zijn hoofd schilderen. Dat lijkt de conclusie in Londen en dat is ook de strekking van de oudste anekdote over de schilder, in 1648 opgetekend door de kunstenaarsbiograaf Carlo Ridolfi. Titiaan, Moroni’s veel beroemdere tijdgenoot, zou tegen een stel bestuurders hebben gezegd dat ze voor een gelijkend portret bij Moroni moesten zijn, ‘die ze naar de natuur maakt’. Die aanbeveling van Titiaan is net zo dubbel als Berensons compliment, want levensechte portretten waren voor de sociale middenklasse: Titiaan schilderde de écht belangrijke mensen en gaf hun daarbij iets bovenmenselijks. ‘Net echt’ was in zijn kringen niet de bedoeling.

Wij kijken nu misschien anders tegen ongeflatteerde, min of meer naturalistische portretten aan. Tussen ons en Titiaan staan, onder veel meer, het negentiende-eeuwse realisme en de uitvinding van de fotografie. Met dat alles achter de rug lijkt het erop dat Moroni zijn tijd ver vooruit was – althans in zijn portretten. Want al was hij dan een ‘pure portretschilder’ die alleen maar rechtstreeks naar model kon werken, niemand schilderde daar en toen zulke indringende, spannende, levendige koppen. Alle modellen hebben een dramatische grandeur gekregen. Iets van een goede filmacteur, die genoeg heeft aan een houding of oogopslag.

Dat werken naar de natuur van Moroni ging dus wel wat verder dan nauwgezet kopiëren wat hij voor zich zag. Titiaan, Ridolfi en Berenson deden hem eigenlijk tekort. Want zo oplettend, zo intens als de mensen in Moroni’s portretten kijken, zo kunnen ze nooit urenlang hebben geposeerd. Hun blik is de blik die wij van foto’s kennen – en dan niet de foto’s waarin beweging is stilgezet, maar de foto’s waarvoor even, een paar seconden misschien, is geposeerd. Het is een afwachtende, geconcentreerde blik. De blik van iemand die wel even stilstaat, maar wiens aandacht nog niet afdwaalt.

Zo’n blik kun je niet heel precies naschilderen tijdens sessies die uren duren. Die zie je soms even, als het model net zit, of even opleeft, of luistert naar wat je zegt. Moroni herkende die blik, onthield hem en blies hem nieuw leven in op doek. Dat was zijn grote kwaliteit: dat hij wist hoe zo’n oogopslag in elkaar zat, wat de mond eraan bijdroeg, welke stand van het hoofd erbij hoorde. En dat hij zo’n kortstondige, alerte uitdrukking kon fixeren.

Hij kreeg dat voor elkaar, keer op keer, zodat het lijkt of zijn modellen aanwezig zijn. Nog steeds. Ze maken contact. Hun ogen laten ons niet los. En daardoor blijven wij terugkijken.