De 150 hatelijkheden van Theo van Gogh

Het is niet mijn gewoonte om als ik wakker wordt de televisie aan te zetten, maar die ochtend deed ik dat wel. Hij stond op RTLZ – een man en een vrouw met beursberichten. Toen kregen ze een stuk papier aangereikt en op hetzelfde moment verscheen een brede, felrode band onderin beeld. ‘Cineast Theo van Gogh vermoord.’

Sliep ik nog? Ik stond op, keek in de spiegel en liep terug naar de slaapkamer. Nog steeds die dikke rode scroll. ‘Kende jij hem?’ vroeg de nieuwslezer aan zijn collega. ‘Nou, inderdaad,’ zei de vrouw, en ze begon een anekdote, waarbij mijn naam viel. Toen herkende ik haar.

Zoals veel vriendschappen begon het met onafscheidelijkheid, tot we ons herinnerden dat we ook nog partners hadden. Veel nachtbraken, veel middelen, verboden en toegestane. Gouden tijden. Het ging mis toen hij iets publiceerde dat ik hem in vertrouwen verteld had. Ik eiste een excuus, hij weigerde. Zoiets is herstelbaar, je plakt een pleister, de wond heelt, en op een dag kan de pleister er weer af. Maar voor hem was het Liefde of Oorlog. Het regende laster en hoon.

Dat was een jaar of twee gaande toen ik op een ochtend stond te pinnen, bij het Koningsplein in Amsterdam. Het was winter, er lag half gesmolten, opnieuw bevroren sneeuw. Ik hoorde zijn stem. Hij stond op de brug over de Prinsengracht, zeker honderd meter verderop, met zijn fiets, zijn toen 1-jarige zoontje voorop. ‘ALS JE EEN KIND KRIJGT,’ klonk zijn kenmerkende countertenor, ‘PAS OP JE VROUWTJE!’ Ik verstond hem niet, bracht een hand naar mijn oor, en hij herhaalde het, tot twee keer toe. ‘ALS JE EEN KIND KRIJGT, PAS OP JE VROUWTJE!’ Voorbijgangers hielden verbaasd in.

Hij had gehoord dat ik vader zou worden. Zijn eigen relatie had de komst van een kind niet overleefd. Over de ijsplakkaten glibberde hij naar me toe. We maakten een afspraak. Alles werd uitgepraat, enfin, besproken. Na een café, een restaurant, een ander café en een shoarmatent streken we neer in een schemerige nachtkroeg, waar we – moe van ons eigen melodrama – in gesprek raakten met twee studentes. Om een uur of vier werden we buiten gezet. De studentes wilden naar huis en wij mochten niet mee. We keken ze na terwijl ze de Spuistraat uitfietsten. Een van hen zou bij RTLZ terecht komen, en elf jaar later Theo’s dood bekendmaken. Hij woonde toen tijdelijk in het appartement van Martin Bril, die in het buitenland zat. Daar eindigden we – nog meer middelen, nog meer sigaretten, nog meer emotionele discussie. Vervolgens vielen we in slaap, op de bank, in een halve omhelzing. De pleister was eraf, we zouden weer vrienden zijn.

Ik ging op reis en na een week had ik een verbouwereerd familielid aan de lijn. Theo, in de Panorama of zo’n soort blaadje. Zelfs mijn onberispelijke schoonvader moest het nu ontgelden!

De verzoening was mislukt. Kennelijk had hij zich bedacht. Bij een archiefopruiming, een aantal jaren later, legde ik de knipsels bij elkaar: 148 hatelijke mentions. Zelf kon ik het ook niet laten af en toe. Toen hij de honderdvijftig volmaakte stuurde ik hem een kaartje met felicitaties. Mijn score was 13. Hij had gewonnen. Die kaart was een afbeelding van een dikke naakte man vooroverliggend op straat. Op die fatale ochtend, tien jaar geleden, had hij alleen nog mensen om zich heen die te dom waren om hem tegen te spreken. Of te slim. Ik zat daar ergens tussenin, denk ik.