’n Dag nie gekankâhd is ’n dag nie geleif

De vorige week overleden Marnix Rueb gaf Den Haag met zijn stripheld een eigen identiteit, schrijft Marc van Oostendorp. ‘Harry’ werd het boegbeeld van het Haags.

Dankzij tekenaar Marnix Rueb en zijn Haagse Harry weet iedereen in Den Haag waar hij dakjes moet schrijven. Vraag een topambtenaar in een ballentent aan het Plein waar de wc is, en hij wijst naar een pijl op de muur waarboven Twâlettûh staat – met twee dakjes. Toen ADO-supporters dit weekeinde Rueb eerden met een gigantisch spandoek, lieten ook zij zien dat ze de details van de spelling in hun vingers hadden: De Haag zal jullie missûh.

Vandaag wordt Marnix Rueb (1955-2014) gecremeerd. Hij had die dakjes ooit voor de grap bedacht. Ze zijn niet echt nodig – het woord gaat niet anders klinken zonder die extra streepjes. Wel laten ze precies zien waar een Haags woord verschilt van het Nederlands. Geen missen maar missûh: je ziet in één klap dat het Haags is.

Het Groen-geile boekie

Rueb heeft in de afgelopen decennia het Haags gemaakt tot wat het was – het ‘besmettelijkste accent van Nederland’, zoals hij het ooit in een interview noemde . Dat deed hij niet alleen door de spelling vast te leggen in het Groen-geile boekie (groen en geel zijn de kleuren van Den Haag), door de uitspraak vast te stellen met gratis ceidei bij een kugsus en door te zorgen voor een eigen literaire traditie – Harry die zijn ‘erautiese gedich’ ‘Kankâhhoeâh’ voordroeg. Hij deed het vooral door de Hagenaar een identiteit te verschaffen.

Den Haag is traditioneel een gespleten stad, ook taalkundig. Er was altijd het platte Haags dat in de Schilderswijk gesproken werd en het bekakte Haags van de hoge ambtenaren. Die groepen, Hagenezen en Hagenaars, hadden nog minder met elkaar te maken dan arbeiders en elite in andere steden. Bovendien zijn geen van beide groepen buiten de stad erg geliefd.

Met het platte Haags ging het in de jaren zestig en zeventig bergafwaarts, zoals dat ook gebeurde met het accent van de andere grote steden. De ‘echte’ Hagenezen vertrokken in groten getale naar randgemeenten als Zoetermeer.

Van Kooten en De Bie maakten het Haags in diezelfde tijd bekend bij de beter opgeleide tv-kijker, vooral met hun typetjes Jacobse en Van Es. Dat waren nog twee leden van de Hollandse penoze die optraden voor een elite die zich niet snel met hen zou vereenzelvigen.

Enkele jaren later, begin jaren negentig, stond Harry op – een personage dat aan de ene kant veel grover in de mond was dan zijn VPRO-voorgangers, maar tegelijkertijd menselijker: hij had een dagelijks leven en een vriendin. Marnix Rueb, die zelf de zoon was van een kinderrechter uit het deftige Benoordenhout, tekende hem eerst voor het Haagse uitgangsblad Doen. De strip sloeg al snel aan, ook buiten Den Haag. Rueb bracht in eigen beheer met groot succes stripboeken uit. En dan was er ook nog een cursus, de kalender, en allerlei merchandise. Rueb meldde zelf op zijn website T-sjugts, dasse, beildjes, kondaums, werrepsterre en strafblade.

Rueb sloot daarmee aan bij een verschijnsel dat zich ook elders voordoet: het verdwijnende dialect krijgt ineens een nieuw imago doordat het in de cultuur wordt gebruikt. Denk aan de muziek van Normaal in de Achterhoek of Rowwen Hèze in Limburg, die ook spelen met een ruw imago.

Nijntje in het Haags

Het lijkt vreemd dat zoveel mensen zich zo makkelijk met Harry vereenzelvigen: een aso die op een van zijn T-shirts als motto heeft ‘’n Dag niet gekankâhd is ’n dag nie geleif’. Toch is dat precies het beeld waar Hagenaars zich naar richten. Dat gebeurt natuurlijk met een knipoog. ‘Harry’ is een geuzentitel geworden van inwoners van misschien wel de minst gewaardeerde van de grote steden – een knuffel-aso.

Rueb raakte de laatste jaren juist ook geïnteresseerd in de zachtere kant van het Haags. Onlangs gaf hij Nijntje an zei uit, een letterlijke vertaling van Dick Bruna’s Nijntje aan zee. Verder weg van de wereld van Haagse Harry kun je niet komen, en toch is het zo Haags als hopjes: ‘Zè reije doâh de dùinûh hein. Wat haug, riep Nijntje ùit.’

Maar Harry zal voorlopig het boegbeeld van het nieuwe Haags blijven. Het biedt een bereikbare lokale identiteit voor iedere Hagenaar. Je kunt zijn taal makkelijk leren schrijven en er is zelfs een app die een willekeurige Nederlandse tekst in het ‘Haags’ omzet. Je hoeft alleen maar op de juiste plaats een dakje te kunnen zetten.