Ik schaamde me. Ik deed niet mee aan de maatschappij

Illustratie Martien ter Veen

Ik kwam op de arbeidsmarkt in de jaren negentig, achteraf gezien de jaren waarin een vast contract haalbaar was. Ik was net afgestudeerd aan het hbo voor bibliotheek en documentatie, maar wilde eerst iets anders proberen. Ik ging freelancen als journalist. Als ik me destijds had gericht op een baan in de bibliotheekwereld was ik ongetwijfeld geslaagd – en vervolgens na het uitbreken van de economische crisis van 2008 wegbezuinigd. Met de kennis van nu had ik me nog eens achter de oren gekrabd alvorens te gaan schrijven. Tariefstijgingen in de journalistiek waren er zelden, soms werd zelfs de woordprijs verlaagd. Wat me in die tijd opviel, was dat freelancen/zzp’en vaak gezien werd als ‘voor erbij’. Als een bijbaantje, iets voor vrouwen met een werkende partner. Ik moest een redacteur van Het Financieele Dagblad eens uitleggen dat 300 euro voor een stuk heel weinig was, daar het me een week tijd kostte en ik ervan moest leven. Zij dacht dat het voor mij een extraatje was.

Vele jaren combineerde ik het schrijven met diverse banen in loondienst. Mijn contracten waren voor één jaar of korter. Een keer ging het bedrijf waar ik werkte failliet. Bedrijven zeiden wel dat ze iemand wilden aannemen die ‘lang bij het bedrijf zou blijven’, maar handelden daar qua contract niet naar. Mijn salaris: minimumloon of iets daarboven. Slikken of stikken, meneer Verwer! Niks uitgekiend carrièrepad.

Zo zit ik dus al mijn hele werkzame leven in de flexibele schil van de arbeidsmarkt.

Het voordeel is dat ik de crisissituatie van de laatste jaren gewend ben. Ik ken niet de grote paniek die ik wel zie bij mensen die geen baan meer hebben of flink minder gaan verdienen. Ik zit in de schil waar beleidsmakers en menig bedrijf verzot op zijn. Het soort banen waar je niet altijd goed begeleid wordt, waardoor je minder goed functioneert, en men zo een ander kan aannemen. Zeker van werk is niemand meer: aan bezuinigingen of faillissementen kun je als individu weinig doen. En we zijn allen inwisselbaar.

Grootverdieners versus onderklasse

Ook veel topfunctionarissen hebben het al jaren zwaar. Ze leggen uit dat de mensen op de werkvloer moeten concurreren met buitenlandse werknemers, dus dat hún arbeidsvoorwaarden moeten verslechteren. Zelf ‘concurreren’ ze met de grootverdieners op de Zuidas of Wall Street en kennen zichzelf een loonsverhoging of een bonus toe. Als iedereen een hekel aan hen krijgt, voelen ze zich buitengesloten. Dus nemen ze nog meer ter compensatie voor dat rotgevoel. Dat mogen ze toch? In de blogs van journalist Joris Luyendijk in NRC en The Guardian over de financiële wereld lazen we over bankiers die elk besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid kwijt zijn en de kwaliteit van hun leven laten afhangen van de vraag: ‘Verdien ik wel genoeg?’

De meeste mensen zijn minder gezegend dan bankiers, niemand garandeert hun salaris. Deze mensen, uit midden- en onderklasse, worden zonder gouden handdruk ontslagen. Hun contract verloopt, of ze gaan zelf weg. Daarna volgt een al dan niet tijdelijke uitkering, een nieuwe baan, het zzp-schap of langdurige werkloosheid. Nieuwe poppetjes worden af- en aangevoerd in deze stoelendans, maar meer en meer banen verdwijnen en het is de vraag of ze ooit nog terugkomen.

Ze wilden mij graag gratis laten werken

Ik heb een aantal keren stof mogen happen. Elke dag was ik op jacht. Ik solliciteerde, vroeg mensen of ze een baan wisten. Ik surfte op internet, mailde, belde en ging de stad in om te vragen of bedrijven personeel zochten. Bij een winkel waar ik twee maanden eerder had gesolliciteerd en men mij ondanks veel ervaring in die branche niet wilde, hing nog steeds dezelfde vacature. Waarschijnlijk wilden ze een jongere in dienst nemen.

Van het UWV moest ik vier keer per maand solliciteren, maar ik deed het vijftien tot twintig keer. Ik netwerkte ook – met teleurstellend resultaat. Men heeft niet zomaar betaald werk voor je... wel wilden sommigen me graag gratis laten werken. Maar waar moet ik dan van leven?

Goed solliciteren betekent minstens een volledige werkweek, maar met meer onzekerheid en een slechter salaris dan wanneer je werkt. Ook als ik een dag niet actief zocht, loerde ik op kansjes. Ik reageerde op administratief werk, bibliotheekwerk, op culturele en journalistieke vacatures.

Ik speurde naar ideale en minder ideale banen. Op leuke vacatures kwamen honderden reacties, op de minder leuke nog steeds veel. Ik deed mijn stinkende best. Waren mijn sollicitatiemails fout? Presenteerde ik me verkeerd? Dat zou kunnen, maar ik kwam geregeld op gesprek – dat dan goed verliep. Slecht zal ik niet zijn geweest, maar men nam een ander aan.

Wat ik niet deed: de hele dag op de parkeerplaats van een bedrijf gaan staan met een spandoek ‘Ik wil die baan’. Echt, het wordt in bepaalde reïntegratietrajecten geadviseerd! Ik denk dat zoiets in de Verenigde Staten aardig zou kunnen uitpakken, in Nederland zal menig bedrijf je bij zo’n actie uitlachen. Of de politie bellen. Op een dag was ik op. De vele afwijzingen, met argumenten die niet altijd kloppen; het te laat of zelfs helemaal niet reageren, het had er stevig in gehakt.

Het ergste was wel de totale onzekerheid. Wandelen, lezen, met vrienden afspreken, het is allemaal leuk en je lijkt er veel tijd voor te hebben, maar steeds is er die neiging om je mail, brievenbus en telefoon te checken. Op vakantie gaan zat er niet in, want je kunt een gesprek – dus baan missen.

De afspraken met UWV waren ook vreemd. Een UWV-coach reageerde als door een wesp gestoken toen ik het woord ‘werkloos’ gebruikte. ‘Het is WERKZOEKEND’, zei ze. ‘Je bent niet werkloos! Dat is een verkeerde insteek.’ Ik wou opstaan en zeggen ‘effe dimmen’, maar ik deed het niet.

Ik voelde me waardeloos

Mede door dit soort ervaringen voelde ik me waardeloos. Ik schaamde me. Ik deed niet mee aan de maatschappij. Wie was ik zonder werk? Het mislukte gevoel overheerste. Ik sleepte me door het leven als een geslagen hond en zocht zonder overtuiging verder. Een paar dagen na mijn gedwongen rust ging de telefoon. De bibliotheek. Een uitnodiging voor een gesprek volgde. Ik kreeg hoop… en de baan volgde. Ik had vanaf het begin het idee dat de organisatie me wilde. De sollicitatiegesprekken waren kort, de mensen waren welwillend. Ik mocht beginnen! En lag er een paar maanden later weer uit, op naar de volgende werkgever – die beter was.

Ik vind het nog steeds moeilijk mezelf niet de schuld te geven van die periode van werkloosheid. Wanneer je slaagt, wil je ook dat het aan jezelf ligt. Terwijl succes natuurlijk vooral een kwestie is van mazzel hebben. Van op de juiste tijd op de juiste plaats zijn. Daar heb je geen beslissende invloed op.

In de periode van 2009 tot 2011, waarin ik geregeld geen werk had en dus een baan zocht, ben ik afgewezen voor banen waar ik een paar jaar eerder makkelijk voor aangenomen werd. Ik was inmiddels beter in mijn werk en presenteerde me beter dan voorheen. Ik werd in die tijd geweigerd voor banen waar ik 100 procent geschikt voor was én een uitstekend sollicitatiegesprek voerde. Maar ja, een ander werd meer geschikt geacht. Of men had al een ander op het oog. Of ik was te oud.