Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Onderwijs

Moeten leraren nu insuline gaan meten en bloed gaan prikken?

Ouders en leraren maken zich zorgen. Door de invoering van het ‘passend onderwijs’ moeten scholen kinderen met suikerziekte gaan helpen. „Leerkrachten zijn er niet om medicijnen uit te delen.”

Kinderen en ouders krijgen les over de diabetespomp van Diabeter, nationaal behandelcentrum voor kinderen en jongeren met diabetes in Rotterdam.
Kinderen en ouders krijgen les over de diabetespomp van Diabeter, nationaal behandelcentrum voor kinderen en jongeren met diabetes in Rotterdam. Foto Arie Kievit

Elke dag rond half twaalf voelt Julian (5) uit Amsterdam zich slecht. Hij is onrustig en kan zich niet meer concentreren. De oorzaak is het appeltje van 10.00 uur dat het suikergehalte in zijn bloed fors heeft verhoogd.

Bij de andere kinderen in zijn klas maakt het lichaam vanzelf insuline aan die het teveel aan suiker afbreekt. Maar Julians lichaam kan dat als gevolg van de ziekte diabetes niet meer. „Eigenlijk moet hij daarom wat insuline krijgen bij zijn ochtendsnack”, zegt zijn moeder Wendy de Cuba. „Maar dat is een medische handeling, en die wil zijn school niet uitvoeren, behalve in noodgevallen.”

Julian is één van de naar schatting 6.500 jongeren in Nederland met diabetes type 1, een auto-immuunziekte die steeds vaker voorkomt. Ongeveer 2.000 van hen zitten op de basisschool en dat is een probleem. Tot zij gemiddeld negen jaar oud zijn kunnen kinderen namelijk nog niet helemaal zelfstandig hun bloedwaarde meten en insuline prikken. En veel basisscholen helpen hen hierbij niet of nauwelijks.

Voor de lunch krijgt Julian insuline, dat doet een door de ouders ingeschakelde verpleegkundige die hiervoor elke dag naar school komt. Lange tijd deed zijn moeder het zelf; zij moest hiervoor weg van haar werk in een ziekenhuis, anderhalf uur per dag. Onlangs zat ze vast in het verkeer. „Toen heeft zijn juf hem maar zelf insuline gegeven”, zegt De Cuba. „Ook al gaat dat in tegen het beleid van de school.”

Ouders draaien er voor op

‘De juiste ondersteuning op maat voor elk kind, liefst op een reguliere school’ – zo luidt het mantra van het onlangs ingevoerde passend onderwijs. Ouders van basisschoolkinderen met diabetes merken hier nog weinig van. Uit een recente enquête onder ruim zeshonderd ouders van deze kinderen, in opdracht van zeven diabetesorganisaties, blijkt dat zij vooral zelf voor die ondersteuning opdraaien.

Voor de meesten geldt: altijd telefonisch bereikbaar zijn. Altijd binnen tien minuten op school kunnen zijn. Altijd mee met uitjes, op sportdagen en op kamp. Geen wonder dat één op de drie ouders invulde fors minder te zijn gaan werken of zelfs helemaal te zijn gestopt met hun baan.

Vijf procent moest uiteindelijk op zoek naar een andere school – niet zelden naar een speciale school – omdat zij helemaal geen medewerking kregen van de basisschool. Ook zijn er basisscholen die leerlingen met diabetes bij voorbaat weigeren; drie procent van de ondervraagde ouders maakte dit mee. De scholen durfden de verantwoordelijkheid niet aan, bijvoorbeeld uit angst voor schadeclaims. Of zij vertelden ouders dat zij niet in staat waren de juiste ondersteuning te bieden.

Geschokt

In Den Haag is geschokt gereageerd op de uitkomsten van het onderzoek. Het leidde onlangs tot twee aangenomen moties – van de Kamerleden Van Meenen (D66), Ypma (PvdA) en Siderius (SP) – die ertoe moeten leiden dat scholen zich óók verantwoordelijk gaan voelen voor de zorg voor leerlingen met diabetes, net als in Zweden. En dat reguliere scholen deze leerlingen niet langer mogen weigeren. In november zal staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs, VVD) bekendmaken wat hij met deze moties zal gaan doen.

De grote vraag is of hij van leerkrachten gaat eisen dat zij zelf bloed gaan prikken en insuline gaan spuiten. Nu mogen zij dit nog weigeren omdat het volgens de wet BIG (Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg) om medische handelingen gaat. Volgens diezelfde wet mogen leerkrachten er op dit moment overigens ook al voor kiezen om deze handelingen wél uit te voeren, op voorwaarde dat ze hiervoor ‘handelingsbekwaam’ zijn gemaakt door een arts.

De verwachting van scholen is dat zij, in verband met passend onderwijs, vaker te maken zullen krijgen met diabetes. „Wij vinden dat deze kinderen zoveel mogelijk thuishoren in het regulier onderwijs”, zegt Hans Scholten van de PO-raad. „We zijn op dit moment in gesprek met ministeries en belangenpartijen hoe we dat het beste kunnen regelen.”

Inmiddels heeft de raad, die de belangen behartigt van de besturen in het basisonderwijs, protocollen gemaakt voor scholen die zelf de medische handelingen willen gaan uitvoeren. Volgens Scholten hoeft dat niet per se door leerkrachten te gebeuren. Dat kan ook iemand met een diploma bedrijfshulpverlening zijn.

Als het aan de onderwijsvakbond AOb ligt, gebeurt het nooit door een leerkracht. „Leraren hebben het al druk genoeg met andere dingen. Laat het gespecialiseerde onderwijsassistenten doen”, zo luidde onlangs de reactie van de vakbond. Eerder dit jaar zei AOb-bestuurder Hélène Jansen in het Onderwijsblad: „Leerkrachten zijn er niet om medicijnen uit te delen of spuitjes te geven, zij moeten zich concentreren op het lesgeven.”

Voetballen of knikkeren

Maar volgens de in diabetes gespecialiseerde kinderarts Loes Veenhuizen, werkzaam bij het Isala-ziekenhuis in Zwolle, is het voor het kind wel „het prettigst” als een leerkracht de zorg op zich neemt. „Waarbij zij uiteraard alle mogelijke ondersteuning zullen ontvangen van de ouders en de gezondheidszorg”, haast zij zich te zeggen.

Waar het in de kern namelijk om draait, zegt Veenhuizen, is dat een kind door de dag heen in de gaten wordt gehouden. „Twee keer per dag kort een verpleegkundige of iemand anders laten komen tijdens maaltijden is niet alleen heel erg kostbaar voor de maatschappij, het biedt scholen bovendien schijnzekerheid”, zegt zij.

Want alles kan invloed op de bloedsuikerspiegel hebben. Stress bijvoorbeeld, maar ook de keuze tussen voetballen en knikkeren in de pauze. „En de schommelingen die daarbij kunnen ontstaan zijn onwenselijk, onder andere omdat ze de kans op complicaties op latere leeftijd aanzienlijk vergroten”, zegt Veenhuizen, zoals hart- en vaatziekten en blindheid.

Veel scholen lijken te worstelen met schrikbeelden. Dat een leerkracht een ernstige fout maakt bijvoorbeeld. Dat het kind in coma raakt. Dat de school aansprakelijk wordt gesteld. Maar volgens Veenhuizen is de zorg voor kinderen met diabetes „goed te doen”. „Vrijwel alle ouders kunnen het leren. Waarom zouden leerkrachten het dan niet kunnen?”

Verreweg de meeste jonge kinderen hebben tegenwoordig een eenvoudig te bedienen insulinepomp die is bevestigd aan het lichaam. Veenhuizen: „Een leerkracht hoeft meestal alleen maar even mee te kijken bij het bloedprikken en op te letten of het kind tijdens de maaltijd het juiste aantal koolhydraten intoetst op deze pomp. Vervolgens moet het kind van een volwassene toestemming krijgen om op het knopje te drukken waarmee de juiste hoeveelheid insuline wordt toegediend via een slangetje.”

Dat een kind in coma raakt, gebeurt volgens Veenhuizen hoogst zelden. „Bovendien zijn er vooraf hele duidelijke signalen die erop wijzen dat een kind te veel of te weinig suiker of insuline heeft. Maar er moet wel iemand zijn die deze signalen opmerkt en ze goed kan interpreteren.”

Julian zit inmiddels op een andere basisschool