Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Koningshuis

Excuses van de Japanners, daar hoef je echt niet op te rekenen

Zal Willem-Alexander, net als zijn moeder in 1991, kritiek durven uiten op de Japanse kampen uit de oorlog?

Foto ANP

Johan Reinders Folmer, die tijdens de oorlog enkele jaren in een kamp op Java geïnterneerd was, weet het zeker. „Japanners zullen nooit ongelijk bekennen, dus ook niet tijdens het komend staatsbezoek.” Zelf heeft hij zich daarmee verzoend. Maar zijn verwachtingen van het staatsbezoek aan Japan, dat koningin en koningin morgen beginnen, reiken daarom niet ver.

„De Japanners zullen onze koning en koningin met alle egards ontvangen en met veel ceremonieel een paar mooie handelscontracten sluiten”, zegt hij. „Maar weet u wat ze doen zodra Willem-Alexander en Máxima weer weg zijn?” De kleine, breekbaar ogende zeventiger gaat rechtop staan, doet alsof hij gaat salueren, om vervolgens een lange neus te trekken „naar Nederland”.

De rest van de tientallen demonstranten op leeftijd die zich sinds 1993 maandelijks in Den Haag voor de ambassade van Japan verzamelen om het land te herinneren aan zijn oorlogsschuld, denkt er niet veel anders over. Op deze druiligere dinsdagmiddag, nu twee weken geleden, hangt onder de gele paraplu’s van de Stichting Japanse Ereschulden een wat gelaten atmosfeer. Geen boze, of strijdbare. „Weet u”, zegt Ineke Van Dalen, bijna vier jaar geïnterneerd geweest en samen met haar man maandelijks van de partij, „straks zijn we hier allemaal dood en herinnert niemand zich meer waar we het überhaupt over hadden.”

Ging in 1971 bij het bezoek van keizer Hirohito aan Nederland nog bijna een robuuste thermoskan door de voorruit van de keizerlijke auto, en klonken er in 1991 luide protesten aan de vooravond van het bezoek van koningin Beatrix aan Tokio, dit keer is alles anders, zegt voorzitter Jan van Wagtendonk van de Stichting Japanse Ereschulden. „Ik herken die gelatenheid bij een deel van onze achterban, maar wil daar niet te veel in meegaan. Dan zouden de Japanners toch nog zegevieren.”

Dat het in de aanloop naar het jongste bezoek zo rustig is gebleven, schrijft Van Wagtendonk mede op het conto van het Nederlandse kabinet. „Al voordat bekend was dat de koning naar Japan zou gaan, heeft het kabinet ons ingelicht. Ook heeft minister Timmermans ons vroegtijdig ontvangen en zich opengesteld voor onze verwachtingen.” Wat van deze vruchtbare contacten overblijft, nu er met Bert Koenders een nieuwe (PvdA-)minister op Buitenlandse Zaken is aangetreden, is onduidelijk. Van Wagtendonk houdt zijn hart vast.

In een brief aan de koning op 15 september herinnerde de Stichting aan de woorden van Beatrix in ’91. Aan het staatsbanket in Tokio zei zij: „Vele van mijn landgenoten hebben de oorlog niet overleefd. Zij die wel zijn teruggekomen, blijven getekend door de herinnering. Aan hun leed is daardoor nog altijd geen einde gekomen.”

De hoop van de oorlogsslachtoffers is dat Willem-Alexander zich morgenavond bij het staatsbanket minstens zo stevig zal uitlaten. Vanochtend zei een bron in Tokio dat „de koning in zijn toespraak op gepaste wijze aandacht zal besteden aan het oorlogsverleden”. Het lijkt erop dat dit vooral een gebaar voor het Nederlandse thuisfront is. De Nederlandse ambassadeur in Japan, Radinck van Vollenhoven, zei in een gesprek met de pers dat de ereschulden een gevoeligheid in de betrekkingen met Japan zijn. Maar hij noemde het onderwerp niet bij de echte meningsverschillen tussen Nederland en Japan, bijvoorbeeld over de walvisvaart, of over de doodstraf die nog steeds in Japan bestaat. Bovendien lijkt het erop dat het land eerder minder dan meer schuld voor het oorlogsverleden op zich wil nemen, mede onder de invloed van hier en daar toenemende nationalisme in Japan.

Niettemin blijft Van Wagtendonk van de Stichting Japanse Ereschulden hopen dat er gewerkt wordt aan een „deal” die volgend jaar augustus openbaar kan worden gemaakt, als het zeventig jaar geleden is dat Japan capituleerde. Die zou een vorm van excuus en erkenning door de Japanners moeten inhouden van het leed dat Japanse militairen hebben veroorzaakt, alsmede een tegemoetkoming (solatium).

„Het is tijd”, zegt Van Wagtendonk, „dat de ereschuld alsnog wordt ingelost”.