Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Cultuur

Scherpe scènes in opera over ‘Grote Oorlog’

Foto filip vanroe

Een nieuwe opera die zo snel uitverkoopt dat er een extra ‘avant-première’ wordt ingelast – dat is ongewoon. Het succes van Shell Shock heeft te maken met het onderwerp, de Eerste Wereldoorlog, maar óók met de librettist: popmuzikant Nick Cave.

De makers noemen Shell Shock een ‘dansoratorium’. Twaalf ‘canto’s’ zijn gewijd aan een archetypisch personage dat de geschiedenisboeken niet haalde: de moeder, de wees, de verpleger en de soldaat die doof en doodsbang door bloed en modder baggerde of vermist raakte, viel, deserteerde of toevallig de hel overleefde.

Caves sterke en evocatieve songteksten vertellen kleine verhalen, die nu en dan met elkaar resoneren, maar van operateske verwikkelingen is geen sprake. Eén overkoepelend verhaal, anders dan de anti-oorlogsboodschap, ontbreekt.

Componist Nicholas Lens (1957) nodigde Cave en regisseur/choreograaf Sidi Larbi Cherkaoui uit voor het project en dat bleek artistiek én promotioneel slim.

De muziek van Lens is vaak niet bijzonder gelaagd, maar wel zeer effectief. Vooral woede en waanzin weet hij scherp te verklanken, bijvoorbeeld in het openingskoor. Daarin is het alsof een zwerm geesten uit de onderwereld bezit neemt van het theater. Soms roept het woest pompende orkest de ‘primitieve’ ritmes van Le sacre du printemps in herinnering of de ostinato-marsen uit Sjostakovitsj’ oorlogssymfonieën. Op verstilde momenten schuurt Lens gevaarlijk langs het pathetische, zoals aan het slot, waar een wees zijn ouders bezingt. Een hoogtepunt is het Canto van de Deserteur, waarbij je de dood in je nek voelt hijgen. De uitvoering onder Koen Kessels is voortreffelijk, met sterke, steeds van rol wisselende solisten.

Voor Cherkaoui, vorig jaar uitgeroepen tot Belgisch ‘choreograaf van het jaar’, is Shell Shock zijn eerste operaregie. Zijn vocatie om dans terug te brengen in het genre pakt zeer gelukkig uit, mede dankzij de geweldige dansers van zijn gezelschap Eastman. In het bewegingsidioom keren steeds dezelfde constanten terug: vallen, kronkelen, sidderen onder geweld. Of verslappen, als de dood tot overgave dwingt.

De dramaturgie is niet overal dwingend, maar Cherkaoui weet fragmenten knap te binden tot een overtuigende voorstelling. Inventief zijn daarbij simpele rekwisieten: in het Canto van de Overlevende vormen brancards in handen van dansers een wafelkraam, een piano of een ontploffend portaal. In Canto van de Moeder worden spokende doden gevangen in witte lakens.

Het toneelbeeld van Eugenio Szwarcer wordt gedomineerd door een enorme stellage. Die doet dienst als projectiemuur, maar kan ook een tribune vormen voor het koor, dat veelzeggend gekleed gaat in uniformen van alle strijdende partijen.

Szwarcers videoprojecties zijn soms magisch in het decor geïntegreerd, bijvoorbeeld waar beelden van koorleden als vallende soldaten precies in uitgesneden sjablonen vallen. Een schitterende verbeelding van voetvolk dat in de mal van vernietiging wordt gegoten.