Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Cultuur

‘Op het toneel krijgt Theo nog één keer de kans te spreken’

Muziekrecensent Roeland Hazendonk, jeugdvriend van Theo van Gogh, debuteert als theaterauteur met de monoloog ‘Van Gogh spreekt’. Porgy Franssen speelt Van Gogh.

Porgy Franssen als Theo van Gogh in de monoloog ‘Van Gogh spreekt’
Porgy Franssen als Theo van Gogh in de monoloog ‘Van Gogh spreekt foto maurice boyer

‘Theo vond dat hij alles mocht zeggen, hoe erg het ook was, en wat het effect ook was. Hij was een aanjager van de mediademocratie – het idee dat iedereen overal over mag meepraten. Zonder Theo geen GeenStijl en PowNed. Maar ik hoor het zijn vader nog thuis tegen hem zeggen: ‘Je mag alles zeggen, Theo, maar het hoeft niet’.”

Aldus Roeland Hazendonk, vriend van Theo van Gogh van jongsaf aan, en auteur van het toneelstuk Van Gogh Spreekt.

Die voorstelling gaat woensdag in première in een regie van Gerardjan Rijnders, met Porgy Franssen in de titelrol. Zondag 2 november is het tien jaar geleden dat de 47-jarige filmmaker Van Gogh ’s ochtends, fietsend door de Amsterdamse Linnaeusstraat, bruut werd vermoord door de fundamentalistische moslim Mohammed B., met kogels en messen.

Het is belangrijk om deze voorstelling te maken, vindt regisseur Rijnders, „omdat iedereen zich zijn dood herinnert, maar niemand meer weet wie Theo van Gogh echt was.”

Van Gogh was in de eerste plaats filmregisseur (Blind date, Interview, 06), maar hij manifesteerde zich ook als columnist, interviewer en programmamaker op tv.

Hazendonk, debuterend als toneelschrijver, wil een ander beeld schetsen dan dat van de ruziezoekende querulant: de andere Theo. Hazendonk: „In mijn stuk is Theo aanvankelijk een vrolijk, wild konijntje dat maar wat aanrotzooit. Hij was kwetsbaar, maar dat toonde hij in zijn woestigheid, en niet als huilebalk of lief jongetje.”

Van Gogh Spreekt is multimediatheater. We zien Van Gogh op het toneel over zichzelf spreken en zingen (de echte Theo maakte twee elpees). Op de achtergrond zien we videobeelden van de toneel- en echte Theo. Er worden filmpjes vertoond, remakes van de filmpjes die Theo maakte om op de Filmacademie te worden toegelaten (tevergeefs), en scènes uit duistere, sadistische speelfilms die hij bewonderde (Salò, The Nightporter). En de Theo op toneel gaat in discussie met zichzelf op een eerder gefilmd beeld (ook Porgy Franssen): ze spreken over wat hij anders had moeten of kunnen doen.

Hazendonk: „Theo krijgt nog één keer de kans vrijuit te spreken, en waf!, daar gaat hij. Het is een soort stand-up comedy. Maar er gebeurt van alles dat hij niet in de hand heeft. Aan het einde is hij tamelijk gedeprimeerd over het stuk en over zichzelf. Dat klopt ook wel, want we tonen de werdegang van Theo: hoe hij ten onder ging aan zijn ijdelheid en de zegeningen van het maatschappelijk debat.”

Van Gogh hekelde de politieke correctheid van linkse voormannen (Job Cohen, Paul Rosenmöller, Thom de Graaf), het christendom en uiteindelijk de islam. Het streven van Hazendonk is de zinvolle opvattingen van Van Gogh te scheiden van zijn kwetsende formuleringen. „Naar Theo’s idee was iedereen een opportunist. Iedereen probeerde iedereen te naaien en de mogelijkheid om een leuke relatie te hebben, bestond niet. Hij was altijd bezig de vinger te leggen op wat niet klopte. En hij had eigenlijk ook altijd gelijk, maar hij cultiveerde wel een verschrikkelijk somber mensbeeld.”

Wat Van Gogh ontbeerde, zegt Hazendonk, was empathie en de wil om het positieve te zien. „Voor het prettige en opbeurende aan mensen, voor iemand die opeens iets liefs zegt, had hij geen oog.” Van Gogh groeide op in Wassenaar in een vrijzinnig, anti-autoritair gezin. De verkoop van de schilderijen van Vincent van Gogh had de familie – nazaten van Vincents broer Theo – miljonair gemaakt. In het toneelstuk noemt Theo zich ‘decadent rijkeluiszoontje’ en de ‘oogappel van zijn moeder’. „Over dat gezin hing de doem van de dood van Theo’s oom in de oorlog”, vertelt Hazendonk. „Meneer en mevrouw Van Gogh hadden daar last van, en dat gaf spanningen.”

In zijn stuk verklaart de auteur Theo’s gedrag en karakter Freudiaans. „Zijn moeder was een aantrekkelijke vrouw, en had wel eens een verhouding. Daar werden aan tafel openlijk grappen over gemaakt. Maar je wilt als jongen van tien, twaalf jaar niet dat je moeder wordt begeerd. Die affaires,” denkt Hazendonk, „brachten Theo in de war. Theo was onzeker, maar ook een charismatische macher. Jarenlang heeft hij tegen iedereen geroepen: ‘Ik heb mijn moeder geneukt’. Dat is toch raar? Dat hij zo hard, soms als een psychopaat, tegen mensen tekeer ging, is hoe hij met ongemak omging. Dat hij dacht: ik reken er mee af, dan is het weg en heb ik er geen last meer van. Het is de redenering van een bang jongetje.”

Theo was ook bang voor verraad. „Misschien omdat de broer van Theo's vader door verraad in handen van de Duitsers viel. Natuurlijk was Theo niet alleen een product van zijn opvoeding. Het zat ook in hemzelf. Hij was gevoelig en hij had een hoop fantasie.”

Moppen

De bitterste en bekendste confrontatie had Van Gogh met schrijver Leon de Winter, aan het begin van zijn carrière als ‘enfant terrible van het openbare debat’, zegt Hazendonk. In een provocerend artikel noemde Van Gogh De Winter ‘een handelsreiziger in Joodse identiteit’. En hij debiteerde moppen over copulerende gele sterren in het kamp en over de geur van karamel, met als clou ‘Vandaag verbranden ze alleen de suikerzieke Joden.’

Hazendonk: „Theo vond dat De Winter zijn afkomst en de Shoah exploiteerde.” Maar de eigenlijke aanleiding voor Van Goghs uitbarsting was triviaal: jaloezie, omdat De Winter wel films gefinancierd kreeg bij het Filmfonds en Van Gogh niet. Hazendonk: „Daar was hij razend over. Geld had hij thuis kunnen ophalen, maar dat deed hij uit principe niet. Ook al was hij daar dubbel in, want zijn debuutfilm Luger is door een relatie van zijn moeder betaald. Wij, zijn vrienden, pestten hem er toen ook wel mee.”

De aanval op De Winter werd pas opgepikt nadat Van Gogh, die aandacht zocht, het obscure filmblaadje waarin zijn stuk stond, uitdeelde op de Nederlandse Filmdagen en Sonja Barend aangifte deed. Wegens antisemitisme. „Antisemiet was hij niet”, zegt Hazendonk stellig. „Het ging hem om integriteit. Als je zijn artikel goed leest, neemt hij het Joodse volk juist in bescherming tegen het misbruik van hun identiteit door Leon de Winter. Maar zijn verwoording was schandalig. Theo koos voor het effect.” Wie zo verkeerd wordt begrepen, probeert het nog eens rustig uit te leggen. Zo niet Theo van Gogh. Hij koos voor de frontale aanval, voor nieuwe verbale executies. Dat was één van zijn belangrijkste eigenschappen, zegt Hazendonk. „Hij had er een diabolisch plezier in om mensen te sarren.”

Mijn ego was groter dan mijn redelijkheid, zegt de toneel-Theo over zichzelf. Hazendonk: „In een winkel sloeg een skinhead met een hakenkruis op zijn vingers getatoeëerd hem eens op zijn rug en complimenteerde hem. Theo zei tegen mij: ‘Zie je dat, de mensen geven mij gelijk!’ Dan zei ik: ‘De mensen? Heb je gezien wie dat was?!’ Dan werd hij kwaad. Omdat ik hem zijn pleziertje zou misgunnen. En ik vroeg me af: zie je dat dan echt niet?”

Zulke tegenstrijdigheden horen bij Van Gogh. Enkele keren in het gesprek stelt Hazendonk nadrukkelijk: „Theo wás ook aardig!”. Even vaak zegt hij, zachter en terloops: „Theo wás ook niet aardig.” Recht op de man gevraagd of het niet moeilijk was bevriend te zijn met zo’n extreme persoonlijkheid, roept hij „Neeh!” Want het was altijd lachen met Theo.

Theo probeerde overal chaos te stichten, vertelt Hazendonk. „Het eerste wat hij deed als hij langs kwam, was zijn stinkvoeten op je tafel leggen. In de auto moest hij van ons achterin zitten en dan ging het dak open, anders vielen we flauw. Had hij weer eens drie weken zijn gympen niet uit gehad. Hij had rare hang-ups. Zijn moeder moest zijn nagels knippen. Mocht niemand aankomen. Dat was castratieangst, riep hij zelf. Dat is gestoord, maar ook erg om te lachen.”

Ironicus

Ondanks alle voorbeelden van doorslaande felheid houdt de toneelauteur vast aan zijn overtuiging dat Van Gogh ten diepste een ironicus was. „Ironie was voor hem een manier van overleven. Op televisie was hij milder, maar als hij schreef, sleep hij aan zijn tekst. Dan deed hij er een schepje bovenop. Vrouwen noemde hij een stoffige kachelpijp of een bedremmelde molshoop. Beledigen was voor hem een vorm van literaire kleinkunst.”

In 2004 maakte Van Gogh met Kamerlid Ayaan Hirsi Ali het filmpamflet Submission, waarin mishandelde moslimvrouwen werden getoond. Elke religie was voor Van Gogh een vorm van waanzin en hij vroeg zich af waarom je moslims niet evenzeer mocht bekritiseren als christenen. Submission kwam in augustus 2004 op televisie. Enkele maanden later werd hij vermoord. Hazendonk: „De conclusie van het stuk is dat vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid niet samengaan.”

Over de ‘erfenis’ van Theo van Gogh is Hazendonk sceptisch. „De problemen die hij aankaartte zijn niet weg. Hij heeft maniakaal gewerkt – met drank, coke, Fassbinder was er niets bij – maar zijn beste film moest hij nog maken. Hij is een dramatische held, maar ook een tragische held.”