Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Mens went snel aan grote hoogte

In de Peruaanse Andes waren 12.000 jaar geleden al zomerwoonplaatsen op 4.500 meter hoogte.

Bij de hoogste vulkaan in Peru, de Nevado Coropuna (boven) zijn sporen van bewoning gevonden.
Bij de hoogste vulkaan in Peru, de Nevado Coropuna (boven) zijn sporen van bewoning gevonden. Foto’s Kurt Rademaker

Op 4.500 meter hoogte in het Andes-gebergte in Zuid-Peru woonden meer dan 12.000 jaar geleden al mensen. Waarschijnlijk alleen zomers. Archeologen ontdekten er op twee plaatsen sporen van bewoning. Het gaat om een schuilplaats en een werkplaats. Er zijn stenen gereedschappen, dierlijke resten en sporen van vuur gevonden. In de werkplaats werd obsidiaan gewonnen. Dat is een halfedelsteen van tot vulkanisch glas gestold lava.

De vondst, afgelopen vrijdag beschreven in Science, werpt een nieuw licht op de snelheid waarmee mensen zich aanpasten aan het leven en werken op grote hoogte. Overleven is daar moeilijk door het lage zuurstofgehalte van de lucht, sterke zonnestraling en de lage temperaturen. Volgens sommige onderzoekers kostte aanpassing aan zulke extreme milieus vele duizenden jaren. Maar nu blijkt dat mensen al 2.000 jaar na de eerste bewoning van het Peruaanse laagland langdurig op grote hoogte verbleven.

De Amerikaanse archeoloog Kurt Rademaker en zijn internationale team vonden eerst een schuilplaats onder een overhangende rots, met een weids uitzicht over het omringende grasland. Dit was waarschijnlijk een basiskamp van jagers en verzamelaars. Op deze locatie, die de onderzoekers Cuncaicha noemden, troffen ze stenen werktuigen, zoals vuistbijlen en pijlpunten, en resten van maaltijden, zoals verkoolde wortels en dierenbotten.

De botten waren van vicugna’s en guanaco’s, kameelachtigen die, anders dan hun gedomesticeerde verwanten lama en alpaca, ook nu nog alleen in het wild voorkomen. Er lagen zowel voor- als achterpoten zodat hier waarschijnlijk complete karkassen zijn uitgebeend. In de bodemafzettingen lagen verkoolde plantresten, waaronder takken en twijgjes – waarschijnlijk brandhout – en zetmeelrijke wortels en knollen. Die groeien niet op deze hoogte en zijn waarschijnlijk lager verzameld en meegenomen naar dit hooggelegen kamp.

De tweede locatie, Pucuncho, ligt wat hoger. Hier komt het halfedelsteen obsidiaan aan de oppervlakte. Er werden projectielpunten en andere werktuigen van gemaakt. De onderzoekers vonden 260 pijl- en speerpunten en vuistbijlen. Pucuncho is het hoogste punt waar dergelijke werktuigen zijn gevonden. Rademakers en collega’s denken dat het hier gaat om een werkplaats waar obsidiaan werd gewonnen en verwerkt.

Pas 40 tot 50 kilometer van Cuncaicha en Pucuncho liggen gebieden op hoogten waar bewoning normaal is, lager dan 2.500 meter. Daarom denken de onderzoekers dat dit een semi-permanent kamp was, niet uitsluitend voor het verzamelen en de doorvoer van vlees, huiden en bewerkbaar gesteente naar lager gelegen basiskampen. Uit de hoeveelheid en diversiteit van de aangetroffen gereedschappen, de lokale herkomst van dierlijke resten en stenen materialen en de ligging in het centrum van het omringende bergplateau maken Rademakers c.s. op dat Cuncaicha zelf een basiskamp was. Gezien de gemiddelde jaartemperatuur ter plekke van 3 graden Celsius werd het waarschijnlijk alleen ’s zomers bewoond.

Datering van organisch materiaal van beide locaties in verschillende laboratoria wees uit dat er al 12.800 jaar geleden mensen woonden. De oudste nederzetting die tot nu toe is gevonden in het laagland van Zuid-Amerika is maar 2.000 jaar ouder: het Chileense Monte Verde. Dit suggereert dat er al veel eerder jagers naar de hoge Andes trokken dan tot dusverre werd aangenomen en dat de aanpassing aan de extreme omstandigheden daar sneller verliep dan gedacht.