Lonen steeds lager, dus ga die hogere winst belasten

Bestrijd de ongelijkheid met hogere vennootschapsbelasting, bepleit Heleen Mees.

illustratie marian kamensky

De toevloed van goedkope arbeid uit Azië maar ook Oost-Europa en de toenemende automatisering, hebben wereldwijd tot een arbeidsoverschot geleid. Tegelijkertijd is de macht van de vakbonden geslonken en zijn sociale zekerheden afgebouwd. Werknemers in het Westen zijn daardoor de afgelopen decennia er niet in geslaagd om de stijgende arbeidsproductiviteit te verzilveren in loonsverhogingen. De lonen stagneerden en ook verloren velen hun baan.

Het verlies van de werknemers is de winst van bedrijven. Met name grote multinationals zagen de bedrijfsresultaten flink stijgen. In de VS is het loonaandeel in het bruto binnenlands product (bbp) sinds 1980 met ruim 9 procentpunt gedaald, terwijl het winstaandeel even hard is gestegen. In Nederland is het beeld niet anders. Tussen 1990 en 2012 is het aandeel van lonen en salarissen in het bruto binnenlands product (bbp) gedaald van 45 procent naar 40 procent van het bbp. Het aandeel van de ondernemingswinst steeg in diezelfde periode van 20 naar ruim 25 procent van het bbp. Dat wil zeggen exclusief financiële ondernemingen. Inclusief financiële ondernemingen steeg het aandeel van de ondernemingswinst van 26 in 1990 tot maar liefst 41 procent.

De forse stijging van de winsten en de afkalving van de lonen en salarissen uitgedrukt als percentage van het bbp zie je niet terug in de belastingopbrengsten. Integendeel. In 2000 bracht de vennootschapsbelasting nog 4 procent van het bbp op. In 2012 was dat nog slechts 2 procent. Bij de loonbelasting is de trend precies omgekeerd. In 2000 bracht de loonbelasting net onder de 6 procent van het bbp op. In 2011 was dat gestegen tot bijna 8 procent.

Om een aantrekkelijke vestigingsplaats te zijn voor het grote internationale bedrijfsleven en zo de benodigde werkgelegenheid naar Nederland te lokken, heeft Nederland allerhande belastingfaciliteiten in het leven geroepen. Maar dat deden andere landen ook. Zo ontstond de race naar de bodem van de schatkist. Door bijzondere fiscale regimes, hybride structuren en gunstige belastingrulings betalen veel multinationals veel minder belasting dan de officiële vennootschapsbelastingtarieven doen vermoeden.

In Nederland is het vennootschapsbelastingtarief verlaagd van 35 procent in 1990 tot 25 procent nu. De belasting die multinationals daadwerkelijk betalen is dankzij het gebruik van allerhande constructies veel sterker teruggelopen. De effectieve belastingdruk op de grootste niet-financiële ondernemingen is gedaald van 28,3 procent in 2004 tot minder dan 10 procent in 2011. Dat verklaart waarom de vennootschapsbelasting, ondanks dat de winsten flink zijn gestegen, tegenwoordig nog maar 2 procent van het bbp opbrengt.

Ondertussen zitten Europese multinationals, net als hun Amerikaanse tegenhangers, op bergen aan cash. Beursgenoteerde bedrijven in Europa, het Midden-Oosten en Afrika hebben volgens adviesbureau Deloitte bijna 1.000 miljard euro aan geld in kas, dat is een stijging van 50 procent ten opzichte van 2007. Nederlandse ondernemingen spannen op dit punt de kroon. De bedrijfsbesparingen in Nederland, uitgedrukt als percentage van het bbp, zijn in tien jaar tijd verdrievoudigd van 2 procent van het bbp tot ruim 6.

Volgens Unilevertopman Paul Polman investeert Unilever de opgepotte winsten niet omdat de consumenten momenteel geen geld uitgeven. Voor andere ondernemingen geldt precies hetzelfde, zo blijkt uit onderzoek van de economen Olivier Blanchard en Larry Summers. Het gebrek aan vraag creëert zo het gebrek aan potentieel aanbod. En dat is precies het omgekeerde van hetgeen de beroemde Wet van Say, die rechtse economen graag citeren, postuleert: namelijk dat elk aanbod zijn eigen vraag creëert.

Die tekortschietende vraag van consumenten is niet alleen het gevolg van de financiële crisis die de met schulden aangewakkerde huizenbubbel deed uiteenspatten en huishoudens dwong om hun financiën te saneren. Ze is evenzeer te wijten aan de uitholling van de lonen en de koopkracht van werknemers. Dat wil zeggen dat het een structureel probleem is en niet louter een conjunctureel probleem, zoals Keynesianen beweren.

Economen als Paul Krugman, Larry Summers en ook Coen Teulings waarschuwen voor ‘eeuwigdurende’ economische stagnatie. Consumenten hebben onvoldoende geld te besteden terwijl grote bedrijven niet weten waar ze met hun opgepotte winsten heen moeten. Wat ligt er meer voor de hand dan de belasting op winst te verhogen en die te gebruiken om de belasting op arbeid te verlagen? De Bundesbank riep een paar weken geleden op tot hogere loonstijgingen in Duitsland, hetgeen eenzelfde effect sorteert.

Een verhoging van de vennootschapsbelasting doet het notoir slecht in de rekenmodellen van het Centraal Planbureau. Daarom durven slechts weinig politieke partijen de maatregel in hun verkiezingsprogramma op te nemen. De vraag is of die modellen kloppen. De verlagingen van de vennootschapsbelasting hebben weinig uitgehaald voor de economie. Anders zou Nederland er nu ongetwijfeld beter voor hebben gestaan.

Een andere optie is om de belasting op vermogen te verhogen zoals Thomas Piketty voorstelt, en/of een vermogenswinstbelasting in te voeren. De torenhoge bedrijfswinsten slaan immers vroeg of laat neer bij mensen van vlees en bloed.