Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politie, recht en criminaliteit

Langdurige stress na moord is behandelbaar

Cognitieve gedragstherapie en mysterieuze EMDR-techniek halveren de klachten bij nabestaanden van een vermoorde.

Een derde van de mensen waarvan een familielid of vriend is vermoord lijden daar jaren later nog sterk onder. Ze hebben last van posttraumatische stressklachten: ze zeggen nog minstens een paar keer per week te worden overvallen door gedachten aan de moord, of het moment waarop ze erover hoorden, terwijl ze juist proberen te vermijden eraan te denken. Ruim 80 procent van alle nabestaanden heeft symptomen van gecompliceerde rouw.

Die mensen komen maar moeilijk over het verlies heen en verlangen nog steeds intens naar de vermoorde persoon, of het nu gaat om moord op een partner, ouder, kind, broer of zus. Een nieuwe therapievorm kan bijna de helft van deze mensen helpen.

Dat blijkt uit onderzoek waarop de Groningse criminoloog Mariëtte van Denderen volgend jaar hoopt te promoveren; vorige week was er alvast een symposium over. Ze ondervroeg ruim 300 nabestaanden van moordslachtoffers. Mensen die ze via steungroepen benaderde, hadden gemiddeld negen jaar geleden iemand aan moord verloren; bij mensen die via Slachtofferhulp Nederland werden benaderd was dat gemiddeld drie jaar. Het Fonds Slachtofferhulp betaalde het onderzoek.

Van Denderen onderzocht de effectiviteit van een speciaal ontwikkelde therapie, een combinatie van cognitieve gedragstherapie en EMDR, eye movement desensitization and reprocessing. Bij EMDR beweegt de therapeut zijn hand heen en weer; de patiënt volgt die hand met zijn ogen terwijl hij zich concentreert op iets in het moordverhaal wat bijzonder pijnlijk voor hem is. „Bijvoorbeeld een beeld van het moment dat de rechercheurs aan de deur kwamen om het te vertellen”, zegt Van Denderen. „Het is nog niet helemaal duidelijk hoe EMDR werkt, maar het schijnt dat het te zwaar is om de aandacht zowel bij het beeld als bij de bewegende hand te houden, waardoor de ernst van het beeld voor de patiënt afneemt.” Die lijkt dus te ‘wennen’ aan wat hij zo erg vindt, vergelijkbaar met de manier waarop mensen met spinnenfobie in therapie aan spinnen leren wennen.

EMDR is een therapie die bij posttraumatische stress vaak wordt ingezet; bij complexe rouw wordt cognitieve gedragstherapie (CGT) toegepast. Omdat de nabestaanden in Van Denderens onderzoek beide hadden, combineerde zij de twee therapievormen in een reeks van acht sessies. „De CGT bestond vooral uit het inventariseren en ontkrachten van irrationele ideeën die nabestaanden over de moord hebben. Zo denken ze dingen als: ‘als ik had voorkomen dat mijn geliefde die dag naar die plek ging, dan was het niet gebeurd’.” Na de combinatietherapie waren bij de helft van de behandelde mensen de klachten flink afgenomen, vergeleken met mensen die nog op de wachtlijst stonden.

Veel nabestaanden kampten ook met wraakgevoelens. Hoe sterker die waren, hoe slechter mensen er aan toe waren. Opvallend genoeg waren de wraakgevoelens nog steeds even sterk als de moordenaar veroordeeld was. „Dat vonden wij verbazingwekkend”, zegt Van Denderen. „De nabestaanden hebben wel liever dat de moordenaar vast zit dan dat hij niet vast zit, maar hun wraakgevoelens nemen er niet door af.” Hoe komt dat, denkt ze? „Je hoort deze mensen vaak zeggen: die moordenaar zit dan wel vijf of twaalf jaar vast, maar wij hebben levenslang.”