Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Jozef als verknipte godsdienstfanaticus

Jozef en zijn broers is misschien wel Thomas Manns meest literaire en meest veeleisende werk. Het grootse Bijbelverhaal wordt erin teruggebracht tot het alledaagse gepruts waaruit onze geschiedenis bestaat.

Jozef en zijn broers
Jozef en zijn broers Illustratie Nanette Hoogslag

Er zijn nogal wat barok-oratoria die van een paar regels bijbeltekst een avondvullend muziekdrama weten te maken. De vierdelige romancyclus Jozef en zijn broers van Thomas Mann stelt ze allemaal in de schaduw. Veertien hoofdstukken telt het verhaal van Jozef in het boek Genesis, dat met dit grootse avonturenepos afsluit. Daar heeft mijn NBG-bijbeltje ongeveer evenveel bladzijden voor nodig. Thomas Manns hervertelling telt er in de zojuist verschenen Nederlandse vertaling 1300. Voor- en nawoord voegen daar nog eens bijna vijftig bladzijden aan toe. Het geheel vormt zonder twijfel de meest imposante uitgave van dit seizoen.

Toegegeven: Thomas Mann (1875-1955) beperkt zich niet tot het verhaal van Jozef alleen. Het eerste deel van de cyclus, dat in 1933 verscheen, gaat nog maar nauwelijks over hem. Het vertelt de avonturen van Jaäkob, zijn vader, die met hun intriges van vlucht en haat, belofte en ontgoocheling, list en bedrog nauwelijks voor die van Jozef onderdoen. Twaalf bladzijden in mijn bijbeltje, bij Mann een kleine driehonderd.

Waarom zou een gevierd schrijver besluiten een bijbelverhaal dat (in ieder geval tóen) iedereen kende nog eens uitvoerig over te doen? Natuurlijk, het boek Genesis bevat verhaalstof genoeg en Mann laat geen detail daaruit ongebruikt bij het schilderen van zijn brede panorama. Hoe Jaäkob zijn vader Jitzschak om de tuin leidt en zijn oudere broer zo van het stamhouderschap berooft. Hoe hij daarna op zijn beurt bedrogen wordt door zijn eigen oom bij wie hij bescherming zoekt tegen de wraak van zijn broer. Diens mooie dochter wil hij trouwen, maar hij krijgt na zeven jaar werken haar oudere, loensende zus. Hij mag nóg eens zeven jaar zwoegen om zijn ware geliefde aan zijn harem toe te voegen: Rachel, de toekomstige moeder van Jozef. En dan zijn we pas aan het eind van deel één.

Ballingschap

Toen in 1933 dat eerste deel uitkwam, werd een roman die zo expliciet teruggreep op de Joodse godsdienst en geschiedenis door het naziregime al niet erg gewaardeerd. Dat werd er in de tien jaar die de voltooiing van het project in beslag zou nemen niet beter op. Thomas Mann week uit naar de Verenigde Staten en schreef deel drie en vier in ballingschap. Dan mag je een lofzang op de kosmopolitische cultuur van het oudtestamentische Egypte, in deel drie, best als een commentaar op het wrange nationalisme van de nazi’s lezen.

Niet dat ook in Egypte het buitenlandse niet als ‘minderwaardig’ gezien werd, zo laat Mann Jozef denken wanneer die kennismaakt met hoogste beschaving van die tijd. ‘Maar toch was het chic; en dat inconsequente in de waardering berustte volgens [de Egyptenaren] niet op een kinderlijke zwakheid maar op vrijdenkerij – Jozef voelde dat.’ Diezelfde Jozef zal later, in het vierde deel, zijn eigen vader nog een lesje geven in anti-xenofobie: ‘De kinderen van Egypte zijn net als andere kinderen, niet beter, maar ook niet slechter […] het is wat dat betreft overal zo’n beetje hetzelfde, zo goed en zo kwaad als ’t gaat.’

Maar Jozef en zijn broers is niet opgezet als een antifascistische moraliteit. De eerste plannen ervoor dateren al van de vroege jaren twintig en mikten verder, en dieper. Daartoe moest het verhaal in alle breedte worden opgezet. Mann trekt er het hele eerste deel – dat je naar het voorbeeld van Wagners Ring des Nibelungen een ‘vooravond’ zou kunnen noemen – voor uit. En daarin vallen twee dingen op. Het eerste is niet heel verrassend. De wereld van de aartsvaders is er een van extreme religieuze pluriformiteit. Iedere stam heeft zijn goden, zelfs iedere man van aanzien heeft zijn eigen hemelse pantheon. Maar tegelijk lopen al die hemelingen en hun verhalen hopeloos door elkaar heen. Mann spaart woorden noch moeite om ze op te roepen en met elkaar te verknopen. Van Baäl via Adonai tot Gilgamesj: in die aanvangstijd van het Oude Testament zijn de religieuze werelden even vloeiend en beweeglijk als de nomadische bevolking zelf.

Alledaags gepruts

Maar dan doet in dat godsverhaal Manns breedsprakigheid haar werk. Godzoekers zijn ze allemaal, de aartsvaders – al tasten ze vooralsnog naar de betekenis van de ontluikende gedachte dat er maar één God in het universum zou zijn. Maar de verhevenheid van die godzoekerij steekt schril af tegen de bijna kwebbelende uitvoerigheid waarmee Mann zijn verhaal vertelt. Geen detail blijft ongenoemd, elke gedachte wordt met pietluttige precisie van alle kanten belicht. Het effect is verwoestend. Het grootse Bijbelverhaal, dat niet minder dan wereldhistorisch wil zijn, wordt teruggebracht tot het alledaagse gepruts waaruit onze geschiedenis nu eenmaal is opgebouwd.

Met dat procedé zou de Portugese Nobelprijswinnaar José Saramago een generatie later beroemd worden. Niet alleen in zijn Evangelie van Jezus Christus maakte hij korte metten met alle Grote Woorden die de menselijke werkelijkheid menen te kunnen vervangen. In vrijwel ál zijn romans is die laconieke stijl een minstens zo krachtig wapen in zijn strijd om een simpele humaniteit als het verhaal dat hij vertelt. Blijf dicht bij wat je zíet gebeuren, zo lijkt hij te zeggen. Dat is de beste verdediging tegen humbug en dikdoenerij die ongenaakbaar over de menselijke werkelijkheid heen schiet.

Mann deed in zijn Jozefcyclus een halve eeuw eerder hetzelfde. Maar anders dan de radicaal atheïstisch-communistische Saramago nam hij de godsdienst zeer serieus. Want religie is te machtig en heeft de cultuur te diep en blijvend beïnvloed om haar met een paar kwinkslagen aan de kant te zetten. De ironie waarvan het hele boek doortrokken is, wil haar interpreteren én ter harte nemen, zo schrijven Henri Bloemen en Theo Kramer (leden van de redactieraad die de Nederlandse uitgave begeleidde) in hun erudiete en razend interessante nawoord. ‘Humanisering van de mythe’ noemde Mann dat zelf in een rede uit 1942, die als voorwoord in dit boek is opgenomen.

Hoe Manns Jozefverhaal stoot op de mythe zoals we die kennen uit het Oude Testament wordt nergens zo duidelijk als in de erotische verwikkeling tussen de titelheld en de vrouw van de Egyptische hofbeambte Potifar die hem in dienst genomen heeft. In de Bijbel heeft zij niet eens een naam. Mann noemt haar Mût-em-enet en wijdt aan haar een groot deel van het derde boek, toch al het dikste in de reeks. Daarin wordt zij veel meer dan de vrouw die de mooie maar kuise Jozef begeert, een blauwtje loopt en hem, als een Bijbelse Phaedra, uit wraak van verkrachting beschuldigt. In haar laat Mann zien dat hij de virtuositeit waarmee hij in Buddenbrooks een fascinerend vrouwenportret als dat van Tony Buddenbrook wist te schilderen, nog altijd niet verloren heeft.

Vele tientallen bladzijden lang peilt Mann het gemoed van deze vrouw, verscheurd als ze wordt tussen haar plicht en haar verlangen. Elke blik die ze werpt is betekenisvol, iedere gedachte zindert. Dankzij haar is dit derde boek geheel anders dan de voorafgaande, die zich afspelen in een woestijnwereld van half-onbehouwen herders. Boudoirs en priëlen zijn nu de achtergrond van een subtiel, beschaafd, maar uiteindelijk niet minder gewelddadig psychodrama, waarin de roman mag tonen waaruit zij ooit is voortgekomen: de hoofse vertelling.

Dankbaarheid

Maar daarin wreekt zich ook de tour de force die Mann met zijn Jozefproject ondernomen heeft. Niet in Mût, die zelfs in haar verraad nog een tegelijk tragische en aandoenlijke dimensie blijft houden. Maar in Jozef zelf, wiens legendarische ‘kuisheid’ door Mann uitvoerig van beweegredenen wordt voorzien. Trouw en dankbaarheid aan zijn heer, angst voor de gevolgen en zorg om zijn eigen kwetsbare positie: dat schiet allemaal door hem heen. Maar boven dat alles uit torent één ding: zijn trouw aan de éne God van zijn stam, die hem het frivool boeleren met vreemde vrouwen verbiedt.

Dat past helemaal in de vertelling van het Oude Testament, waarin alles gericht is op het centrale thema: de uitverkiezing van het Volk door de éne God. De mythe brengt een idee tot uitdrukking en bezielt de collectieve overtuiging van de stam die haar doorvertelt – en daaraan is de individuele psychologie van de personages ondergeschikt. Dat Jozef er dáárin voor terugschrikt ‘te zondigen tegen God’, zoals Genesis 39:9 wil, is niet meer dan logisch.

Maar wanneer diezelfde Jozef een moderne romanfiguur wordt, krijgen die woorden een andere betekenis. Ze maken van hem een min of meer verknipte godsdienstfanaticus, van het soort dat we vandaag de dag maar al te goed kennen.

Van dergelijke botsingen is deze hele romancyclus doortrokken. Met grote regelmaat barsten de protagonisten uit in lange monologen die meer lijken op traktaten dan op levensechte conversatie. Maar dan weer legt Mann hen plots bijna achteloze spreektaal in de mond, die in de Nederlandse vertaling soms extra wordt aangezet. ‘Hé, Dudu’, zo spreekt Jozef een collega aan. ‘Weet ik het?’ – zegt hij tegen een ander, die hem vraagt wat hij zal aanvangen met zijn broers, die hem in hun hongersnood om hulp komen vragen.

Over de mate waarin Mann ‘moderniserend’ vertaald moet worden, wordt al geredetwist sinds Pé Hawinkels in de jaren zeventig diens Toverberg in zijn vertaling radicaal onder handen nam. Tegen deze twee voorbeelden (Ei, Dûdû - Weiß ich’s denn?) valt wat dat betreft weinig in te brengen. En ook aan de andere kant van het spectrum, in de meer gedragen passages waarvan de taal volgens Bloemen en Kramer ‘moeilijker nauwelijks denkbaar is ’, levert de vertaler een mooie prestatie. De lezer raakt er nergens het spoor in bijster.

Monsterlijke proporties

Maar botsen blijven die twee stijlen – en dat was, naar we mogen veronderstellen, geheel volgens de bedoelingen van Mann zelf. De strijd tussen een steile, dogmatische religie en de humanisering daarvan wordt in dit boek met stilistische middelen uitgevochten. Dat maakt Jozef en zijn broers misschien wel tot het meest ‘literaire’ werk van Mann – maar ook tot het meest veeleisende. Het zijn uiteindelijk niet de 1300 bladzijden die van de lezer het uiterste vergen. Het is de noodzaak je bij elke passage opnieuw af te vragen wat daarin eigenlijk, door de tekst heen, op het spel staat.

Alleen in zo’n lezing ‘op het tweede gezicht’ wordt Jozef en zijn broers méér dan een literaire invuloefening van een schrijver die een beknopte, efficiënt vertelde mythe opblies tot een roman met monsterlijke proporties. De filosoof Peter Sloterdijk heeft, zo schrijven de uitleiders, het boek ‘het heimelijke hoofdwerk van de moderne theologie’ genoemd. Dat is misschien nog te weinig gezegd. In zijn zoektocht naar de wording van het monotheïsme probeerde het ook de oorsprong van de westerse beschaving zélf te ontdekken.

De hedendaagse betekenis daarvan kon alleen maar oplichten doordat Mann de religie zelf op haar beurt ironisch humaniseerde. Er zijn romans geschreven met een bescheidener inzet. Wie aan Jozef en zijn broers wil beginnen, moet weten wat hem wacht.