Hoe de VS tegen wil en dank de Grote Oorlog bleef winnen

In een caleidoscopische vorm van geschiedschrijving laat deze Britse historicus zien hoe Amerika vroeg meevocht in 20ste-eeuwse wereldconflicten. En keer op keer zijn ideaal uit elkaar zag spatten.

Ansichtkaart van de Amerikaanse president Woodrow Wilson die Amerika bij de Eerste Wereldoorlog betrok Foto Bob Thomas/Popperfoto/Getty Images

Wie zich afvraagt waarom president Obama zo lang heeft gewacht met ingrijpen tegen IS, waarom hij de Syrische president toestond de ‘rode lijn’ (van chemisch wapengebruik) te passeren, waarom hij zo terughoudend was in Libië en Egypte, die doet er goed aan verder te kijken dan de rampzalig afgelopen interventie van zijn voorganger in Irak.

Toen George W. Bush het Irak van Saddam Hoessein ontmantelde, handelde hij binnen één deel van de Amerikaanse traditie: het willen behoeden van de wereld voor onrecht en leed, dictatuur en radicalisme. Hij deed dat op basis van onvoldoende kennis van de feiten en de regio. Het was een tijd van onbeperkte overmoed, zonder ander wereldrijk dat zich met Amerika kon meten.

Obama’s terughoudendheid past nog meer binnen de Amerikaanse historische afkeer van de chaos elders in de wereld. Amerika verkiest de veiligheid van het eigen continent en wil anderen altijd helpen een open economie op te bouwen, als het kan met democratisch bestuur en vreedzame internationale verhoudingen.

Maar het is Amerika niet gegeven hoog en droog in die ‘City upon a hill’ te schuilen. Zijn immense rijkdom en macht hebben het al vroeg in de vorige eeuw gedwongen partij te kiezen en mee te vechten in wereldwijde conflicten. Ook zag het keer op keer zijn ideaal van een redelijk overleggende, handeldrijvende wereldgemeenschap uit elkaar spatten.

Bloedvergieten

Aldus de uitkomst van de Eerste Wereldoorlog in het vuistdikke geschiedenisboek van de Britse historicus Adam Tooze. Toen werd de basis gelegd voor globalisering op een nieuwe schaal. Alle landen gingen met alle landen samenhangen. Niemand kon zich vrijwaren voor ellende en bloedvergieten elders. Amerika bleek steeds weer de enige natie met de middelen om in te grijpen. Zonder daar voortdurend succesvol in te zijn.

Tooze leidt aan de Amerikaanse Yale universiteit het centrum voor Internationale Veiligheidsstudies, samen met historicus Paul Kennedy (van The Rise and Fall of Great Powers). Het zijn mannen van de grote greep, en van dikke boeken. Zij proberen internationale betrekkingen in een zo breed mogelijke strategische context te zien, met economische ontwikkelingen als fundament.

Tooze maakte naam met Wages of Destruction (2006), een studie van de economie van nazi-Duitsland. Terwijl dat boek concreet inging op de financieel-economische werking van het systeem-Hitler, waagt Tooze zich in De Zondvloed, 1916-1931. Het Ontstaan van een Nieuwe Wereldorde aan een caleidoscopische en cinemascopische vorm van geschiedschrijving.

Meer dan 500 van de 572 pagina’s tekst (zonder ruim 100 pagina’s noten en register) bestrijken de periode van de slag bij Verdun (1916) tot aan de Locarno-conferentie (1925), waarin de grenzen van Europa werden vastgelegd. Tooze heeft daarna niet veel ruimte meer om de opkomst van stalinisme en fascisme te beschrijven en uit te leggen hoe alle pogingen tot herstel van een min of meer stabiele wereldorde door de Grote Depressie (1929) werden weggevaagd.

Tooze maakt het zijn lezers overigens niet zo makkelijk door chronologie als een leuning voor zijn publiek overbodig te achten. Bovendien, zoals de Canadese historicus Robert Gellately schreef in The Times Supplement of Higher Education: Tooze heeft zichzelf ook geen duidelijke onderzoeksvraag gesteld. Hij meent dat Tooze vage begrippen hanteert, een zondvloed aan feiten presenteert en met een te brede kwast grote stellingen poneert zonder met afdoende onderbouwing te komen.

Tooze is daarbij geen begenadigd verteller of schrijver zoals de bekende Britse historicus A.J.P. Taylor (auteur van The Origins of the Second World War). Taylors boeken waren omstreden, maar hij schreef boeiend en vertelde meeslepend; zijn historische televisieseries waren een begrip. YouTube bevat een paar lezingen van Tooze waarin hij eenzelfde feitenbombardement als in dit boek op de toehoorder laat neerdalen. Heel knap, maar je moet hard werken om ze te kunnen sorteren.

Het neemt allemaal niet weg dat Tooze een interessante revisie van de geldende kijk op de Eerste Wereldoorlog en de opkomst van Amerika’s dominantie biedt. Woodrow Wilson, president van Amerika van 1913-’21, was in zijn ogen niet de grote progressieve internationalist, de Atlanticus die men meestal van hem maakt. Tooze ziet zijn streven naar een afscheid van oorlog als middel van conflictbeslechting tussen (andere) landen vooral als een middel om Amerika’s ongebondenheid te bewaken.

Boeiend is zijn beschrijving van het ontstaan van Amerika’s rol als wereldpolitieman tegen wil en dank in 1916. De patstelling na twee jaar oorlog kon nog lang voortduren. Groot-Brittannië kon de oorlogsinspanning alleen volhouden door op grote schaal particulier geld in New York op te laten halen door de bank JP Morgan.

De private Amerikaanse financiering van de grote Europese ‘Entente’ bedroeg meer geld dan de totale Amerikaanse export. Zonder dat Wilson de oorlog al steunde, laat staan partij had gekozen. Dit private public partnership deed de vraag rijzen wie eigenlijk Amerika’s kapitalistische democratie bestuurde. Een vraag die bij de ‘redding’ van Wall Street tijdens Obama I ook kon worden gesteld.

Volkenbond

Amerika’s economische macht was tegen het eind van de Eerste Wereldoorlog ongekend. Wilson koos uiteindelijk de onvermijdelijke weg en steunde de westerse landen, maar hij deed er alles aan een vrede op zijn voorwaarden af te dwingen. De Volkenbond kwam er mede dankzij zijn inspanningen, maar Amerika deed niet mee – in de Senaat bestond groot bezwaar tegen de verplichting dat aangevallen Bondsleden elkaar militair moesten steunen.

Machtig, onmisbaar zijn, maar alleen mee willen doen op je eigen voorwaarden. Die constante in de Amerikaanse opstelling in de 20ste eeuw loopt door tot de dag van vandaag. Zoals de verdeelde, van illusies en zwaktes aan elkaar hangende Europese taferelen in de jaren 1910, ’20 en ’30 ook lezen als een generale repetitie van het Europa van nu.

Waarom stortte die naar democratie neigende wereldorde van de jaren twintig binnen tien jaar toch zo compleet in? Tooze wil dat niet integraal wijten aan de oneerbare vredesvoorwaarden van Versailles van 1918. Hij ziet ook de astronomische rijkdom en dus de wereldwijde machtspolitieke opkomst van de Verenigde Staten als een uitdaging die Duitsland en de Sovjet-Unie niet onbeantwoord konden laten. Met alle gevolgen van dien voor de broze wereldvrede.

Tooze wordt niet geholpen door een soms wat houterige, meestal adequate Nederlandse vertaling. Waarom het Engelse begrip ‘exceptionalism’ willekeurig wordt vertaald met ‘exceptionisme’ en het gebruikelijker ‘exceptionalisme’ blijft een raadsel.

Als Adam Tooze een scherper oog had voor menselijke verhalen, voor de psychologie van leiders als Trotski, Lenin en Stalin, Hitler en Churchill, dan had zijn epos een meesterwerk kunnen zijn. Nu blijft het knap, rijk aan bronnen. Meer slimme, becommentariërende analyse dan onontkoombare geschiedschrijving.

    • Marc Chavannes