Een jaartje uitlopen is heel normaal. Of drie

Een promotieplek krijgen is lastig, maar daarna wordt het helemaal moeilijk. Een kwart van de promovendi is na zeven jaar nog altijd niet klaar. Wat als het onderzoek niet wil vlotten?

illustratie roel venderbosch

Toen Merel Leeman (36) twee jaar bezig was met haar proefschrift besloot ze dat het helemaal anders moest. Van achter haar bureau had ze de oorspronkelijke vraagstelling bedacht, maar in de New Yorkse archieven duwden de bronnen haar een andere kant op.

Aanvankelijk had het onderzoek van de geschiedenispromovenda een nogal theoretisch karakter. Het ging over de plek van naar Amerika gevluchte Joods-Duitse cultuurhistorici in de Duitse historiografie. Toen Leeman in New York belandde voor een jaar aan Columbia University, kwam ze erachter dat het werk van de betreffende historici in Amerika lééfde. Het bleek ineens veel interessanter om de rol en het werk van de groep in de context van de Koude Oorlog te onderzoeken.

„Dan sta je op een tweesprong”, zegt Leeman. „Mijn onderzoek omgooien zou veel tijd kosten en betekenen dat een deel van wat ik al had onderzocht niet meer bruikbaar was. Maar ik wilde aan het einde wel kunnen verantwoorden dat ik een relevant onderzoek had gedaan.” Eigenlijk moest ze haar koers dus wel verleggen, maar dat vergde lef. „Je moet stalen zenuwen hebben om zo’n keuze te maken.”

Inmiddels is het vier jaar later en is haar proefschrift nog steeds niet helemaal af. Nog een paar maanden, zegt Leeman. Dat betekent dat ze er straks bijna zeven jaar over heeft gedaan in plaats van de vier jaar die staan voor een promotieonderzoek.

Na vijf jaar is 40 procent klaar

Merel Leeman is niet de enige. Jaarlijks promoveren in Nederland zo’n 4.100 mensen. Minder dan 10 procent van de promovendi in dienstverband bij de universiteit is binnen vier jaar klaar, blijkt uit cijfers van de vereniging van universiteiten (VSNU) van vorig jaar. Na vijf jaar is ongeveer 40 procent klaar. Dat cijfer klimt daarna nog maar langzaam. Een kwart van hen is na zeven jaar nog niet klaar.

Een jaartje uitlopen is dus heel gemiddeld. Zo bezien loopt Michel Wilson (33) precies op schema. Hij hoopt eind dit jaar zijn dissertatie af te hebben, die moet vervolgens naar de leescommissie, dat duurt dan weer een paar maanden en al met al zal hij straks over het hele proces ruim een jaar langer hebben gedaan.

Wilson, die technische informatica studeerde, promoveert aan de TU Delft op het slimmer maken van planningsalgoritmes in een werkplaats voor treinreparaties, zodat treinen minder lang buiten gebruik zijn. Ironisch genoeg, zegt hij, liep zijn eigen planning niet geweldig. „Achteraf gezien had het sneller gekund. Ik ben te laat tot bepaalde inzichten gekomen.”

Aan de andere kant laten inzichten zich ook niet zo makkelijk plannen, geeft hij toe. „Ik weet natuurlijk niet of ik over drie weken op een bepaald idee kom.” En zijn begeleider, zegt hij nu, had hem nog wel iets meer achter de vodden aan mogen zitten.

Problemen met data of bronnen

Wilson is niet de enige die last heeft van dit soort tegenslagen. Onderzoek naar de redenen voor vertraging bij promovendi wijst uit dat ‘praktische problemen’ de voornaamste oorzaak zijn; hieronder vallen bijvoorbeeld problemen met data of bronnen. Op nummer twee staat een falende planning, op drie te weinig begeleiding.

Na vier jaar liep Michel Wilsons contract bij de TU Delft af, waar hij tijdens zijn onderzoek salaris kreeg en onderwijs gaf. Nog drie maanden mocht hij uitlopen, toen was het geld op. Nu maakt hij zijn onderzoek af naast zijn fulltime baan. Dat gaat zo: zaterdag en/of zondag, plus een paar avonden per week gaat hij aan de slag. Zijn vrouw weet ervan en past zich aan. „Als ze de hele tijd dingen aan me vraagt, ben ik er zo weer uit.”

De omschakeling is soms wel moeilijk, zegt Wilson. Dat probeert hij te ondervangen door op de fiets naar huis alvast te bedenken waar hij ook alweer was in zijn onderzoek. Op zich is dat allemaal geen ramp, relativeert hij. Maar uitspattingen als een weekendje weg leveren weleens schuldgevoelens op.

Dat herkent Simone Veld van de Universiteit Utrecht. Ze begeleidt daar promovendi in de geesteswetenschappen. Een veelgehoorde klacht: het proefschrift zit altijd in je hoofd. „Het is best lastig om even niets te doen zonder je schuldig te voelen.” Een aantal jaar geleden promoveerde Veld zelf ook. „Het is een competitieve werkomgeving. En als je ergens zo lang aan werkt, komt er ook een grote druk te staan op het eindresultaat.”

De één kan beter tegen die druk dan de ander. Ben je perfectionistisch of heb je faalangst, dan kan werken aan een proefschrift dat versterken. Veld probeert promovendi te leren daarmee om te gaan. Maar soms zijn de klachten zo erg, zegt ze, dat ze promovendi met ernstige burn-outklachten doorstuurt naar een arts.

Marijke Beulen (28) is neurowetenschapper en is sinds september 2011 bezig met haar promotie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze onderzoekt hoe de hersenen omgaan met verschillende soorten beslissingen. Na een jaar merkte ze dat ze zich steeds slechter kon concentreren. Haar geheugen ging achteruit. Ze kreeg hoofdpijn en ze werd misselijk. En altijd was er stress. „Ik had voortdurend het gevoel dat ik achterliep en het werd steeds erger, want ik kreeg geen werk meer gedaan.”

Beulen had een burn-out. Achteraf ziet ze wel hoe dat zo kon komen. Privé ging het niet geweldig en daarnaast was ze altijd bezig met haar onderzoek. „Het is nooit af. En omdat je de enige bent die dit onderzoek doet, weet je ook niet of het goed gaat. Je kunt jezelf niet vergelijken.”

Daarnaast levert de academische wereld stress op, zegt ze. Het is al lastig om een promotieplek te krijgen, en daarna wordt het al helemáál moeilijk. „Ook als je heel goed bent, is er een grote kans dat je niet verder kunt bij de universiteit.”

Het is niet zomaar een baantje

Een aantal maanden bleef Beulen thuis. Nu is ze weer aan het werk, vier dagen in de week. De tijd die ze thuis zat, mag ze waarschijnlijk nog inhalen. „Ik heb altijd geweten dat ik het af wilde maken. Veel promovendi hebben dat. Het is niet zomaar een baantje, het is jóúw onderzoek.”

Zo kijkt ook Merel Leeman er tegenaan. Ze spreekt over de historici die ze onderzoekt als „mijn emigranten”, het gaat haar duidelijk aan het hart. Het proefschrift moet méér zijn dan een vingeroefening, zoals het volgens haar tegenwoordig vaak wordt gezien. „Je gaat toch geen vier jaar doen over een vingeroefening? Ik wil gewoon een goed boek schrijven. Doordat ik de tijd heb genomen, denk ik dat ik écht iets zinnigs heb gemaakt.”

Hoe aantrekkelijk dit ook klinkt, Leeman betwijfelt of veel mensen haar houding delen. De nieuwe zakelijkheid aan de universiteit zorgt voor angstige promovendi die zo snel mogelijk willen promoveren, zegt ze. En dat is zonde, want uitloop is volgens haar niet per se negatief.

Doordat Leeman genoeg verdiende met lesgeven aan de UvA had ze de ruimte naast het onderzoek interessante dingen te doen. „Ik heb veel onderwijs gegeven, gereisd, conferenties bezocht, artikelen geschreven, literaire festivals georganiseerd. Ik heb geen tijd verspild.”