Opinie

Rembrandts raadsel

‘Vandaag ga ik weer naar die heerlijke Nachtwacht.”Wat zou het mooi zijn als ik mezelf eens op dat verheffende voornemen kon betrappen. Maar nee, van De Nachtwacht, ons beroemdste schilderij dat zich hemelsbreed op slechts enkele kilometers van mijn huis bevindt, lig ik nooit wakker.

Erger nog: als ik een wereldberoemd schilderij mocht kiezen voor mijn huiskamer, zou De Nachtwacht pas halverwege mijn lijstje verschijnen. Ik zal het nooit hardop durven zeggen, maar eigenlijk vind ik De Nachtwacht een nogal saai schilderij.

Toch ging ook ik, zoals ik gisteren schreef, met mijn kleinkinderen naar De Nachtwacht kijken. Zo werkt nu eenmaal de culturele canon: als een cultureel kanon dat de persoonlijke smaak bulderend het zwijgen oplegt. Het culturele uithoudingsvermogen van kleinkinderen is nog zeer beperkt, dus begin je meteen met het beroemdste schilderij. Omdat iedereen zo denkt, staan we daar dagelijks in vier rijen dik naar De Nachtwacht te gapen.

Het voordeel was wel dat ik eindelijk eens met meer aandacht keek. Je wilt die kinderen „toch wat meegeven voor later”. Daar was ik al een dag eerder mee begonnen door ze voor te lezen uit een alleraardigst boek: Het grote Rijksmuseum voorleesboek. Daarin schrijven kinderboekenschrijvers op een verhalende manier over een aantal meesterwerken uit het Rijksmuseum.

Margje en Sjoerd Kuyper beschrijven hoe een opa met zijn kleinzoon Robin naar De Nachtwacht gaat kijken. Opa wijst Robin erop dat er „kruitdamp uit de geweren” komt. Dat was mij nou nog nooit opgevallen. Kruitdamp? Waar dan? Toch niet dat stukje witte katoen aan de hoed van luitenant Willem van Ruytenburch, de man in het licht die naast kapitein Frans Banning Cocq staat? Het leek een beetje op een onderbroek, maar het zou ook een aangeschoten duif kunnen zijn.

Op internet zocht ik een uitvergroting van dit detail op. Je ziet hoe een gehelmde schutter, staande voor ‘het meisje’, zijn musket richt en vuurt. Ik dacht een stukje vuur uit de musket te zien, en mogelijk een grijs laagje kruitdamp dat overging in een flamboyante, witte versiering van Van Ruytenburchs hoed. Maar waar eindigde de kruitdamp en begon de versiering? Ik bleef twijfelen.

Het was de volgende dag in het Rijksmuseum het eerste waar ik naar keek: die witte versiering. Vervolgens raadpleegde ik de informatiekaart die daar wordt verstrekt. Die bracht min of meer de duidelijkheid waar ik naar snakte. „Er komt vuur uit de geweerloop”, meldt de kaart, „en de rookpluim verdwijnt achter de witte veren op de hoed van de luitenant.”

Wat we dus vooral zien zijn witte veren (mijn ‘lapje katoen’) – niet zozeer rookpluim. Allemachtig!

Nu is mijn buitengewoon oneerbiedige vraag: had Rembrandt dit niet wat handiger kunnen schilderen? Ik wil niet zeggen dat ik het beter had gedaan, maar van een redelijk getalenteerd schilder als Rembrandt had je toch mogen verwachten dat hij je niet met een raadsel opzadelt dat je doet twijfelen tussen een stukje onderbroek, een neertuimelende duif en een rookpluim, terwijl hij een gevederde hoed bedoelde?

Ik wil hiermee niet beweren dat Rembrandt een overschatte schilder is, maar wel dat de kwaliteit van die geschilderde hoed ver onder zijn maat bleef. Hij had niet mogen vergeten dat de museumbezoeker kleinkinderen (en lezers!) kan krijgen aan wie dit allemaal moet worden uitgelegd.