Rechters bij Raad van State kiezen ‘zelden de kant van de vluchteling’

Volgens onderzoeker oordeelt hoogste bestuursrechter vaak in voordeel van staat.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kiest in het vreemdelingenrecht in hoofdlijnen partij voor de staat. En dus tegen de vreemdeling. Dat blijkt uit onderzoek van hoogleraar migratierecht Thomas Spijkerboer dat vandaag uitkomt.

Spijkerboer onderzocht ruim 600 rechtszaken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2010 en 2011. Hij komt tot de conclusie dat de Raad van State, hoogste bestuursrechter van Nederland, zich „beteugeld activistisch” in het voordeel van de staat opstelt in het vreemdelingenrecht. „Dat is een controversiële en ongebruikelijke attitude in het Nederlands recht. Politiek stelling nemen past veel meer in het Amerikaanse recht.”

Als belangrijk voorbeeld van zulk activisme beschrijft Spijkerboer in zijn onderzoek hoe de Raad van State vooral de staatssecretaris laat bepalen of het vluchtverhaal van de vreemdeling geloofwaardig is. Volgens hem toetst de rechter cruciale informatie voor dat vluchtverhaal, bijvoorbeeld ambtsberichten, medische rapportages of taalanalyses, maar marginaal. „De bewijsmiddelen die de staatssecretaris gebruikt, worden voor waar gehouden zolang de vreemdeling die niet vérgaand heeft ondergraven”, schrijft Spijkerboer in zijn onderzoek.

De hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam staat bekend als kritisch over het Nederlandse asielbeleid. Hij noemde dat eerder eens „schraperig”. Spijkerboer zegt voor de Raad van State strengere normen te hanteren dan voor de politiek: „De staatssecretaris heeft een politieke meerderheid voor zijn beleid, dus neem ik hem minder kwalijk. Bij de Raad van State zitten juristen.”

Spijkerboer heeft in zijn onderzoek niet exact bijgehouden hoe vaak het oordeel van de Raad in het voordeel van de staatssecretaris uitpakte. „De grote keuzes zijn altijd in het voordeel van de staatssecretaris. In individuele gevallen krijgen vreemdelingen wel eens gelijk.” De staatssecretaris wint vaker rechtszaken dan vreemdelingen, maar dat komt ook omdat die alleen in beroep gaan bij een afwijzing.

Kritiek op de rechterlijke toets van de Raad van State in het vreemdelingenrecht is niet nieuw. In 2007 schreef de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) dat de toetsing van een afwijzende beslissing „in brede kring als te terughoudend wordt ervaren”. „De beoordeling van de vraag of de asielzoeker vluchteling is, wordt vrijwel volledig aan de minister en zijn Immigratie- en Naturalisatiedienst overgelaten”, schreef de ACVZ toen. Reden tot „grote ongerustheid”.