Karel de Grote was de grootste Viking, maar dan zonder schip

Een boek dat begint met de constatering dat de Vikingen eigenlijk niet zo goed konden vechten moet wel een goed boek zijn. En zo is het ook. Aan de hand van de plundering van Nantes in 843 legt Anders Winroth, historicus aan de Yale-universiteit, al in zijn eerste hoofdstuk uit dat de Vikingen vooral handig en slim waren. Door het grote handelsnetwerk van de Zweden, Noren en Denen, wisten de roofploegen precies wanneer het Frankische leger ergens afwezig was. Ook vielen ze plotseling aan, liefst op christelijke feestdagen. Kijk altijd even op de kalender! Onder die omstandigheden hoef je geen grote vechter te zijn om indruk te maken. Tegen een regulier Frankisch ridderleger maakten de Vikingen aanzienlijk minder klaar.

En zo heel wreed waren ze ook niet. De christelijke kroniekschrijvers schrijven veel over ‘slachtingen’ bij de Vikingovervallen, maar details geven ze vrijwel nooit. Maar de oplettende lezer van die verhalen valt wel op dat nadat ‘de volledige bevolking’ was uitgeroeid, vaak genoeg mensen overbleven om de losgelden van de gevangenen te betalen. Vrijwel alle verhalen kregen een nogal donkere ‘theologische spin’ van apocalyps en goddelijke straf.

En dan nog, de nu vaak als Vader van Europa vereerde keizer Karel de Grote en zijn opvolgers deden meestal precies hetzelfde als de Vikingen: als het even kon plundertochten houden bij de buren. Daar werd de buit binnengehaald die nodig was om de taak van een Germaanse leider in deze tijd te volbrengen: grote feesten geven en kostbaarheden weggeven aan je volgelingen. Karel de Grote was in feite de grootste Noorman van allemaal, met zijn jaarlijkse veldtochten tegen de Saksen en de Avaren. Hij had alleen geen schepen.

Er staan veel fascinerende analyses in dit boek, zoals over de Skald-dichters, de hofdichters van de Vikingchiefs met hun wonderlijke kennings: de misleidende vervanging van gewone woorden door ‘dichterlijke’, waardoor haast een soort code ontstond. Met een ‘boom’ wordt meestal een man bedoeld, het ‘maal van Frodi’ is goud, de ‘gever van ringen’ is de koning, een ‘bizon’ is een schip, net als het ‘rendier van Gylfe’, een ‘steunpilaar van het havikveld’ is een vrouw, enzovoorts. Dichtkunst als woordspel, waarbij de latere IJslandse sageschrijvers (zoals van de beroemde Edda) vaak enorm op het verkeerde been konden worden gezet. Want die sagen, opgeschreven rond 1200 en later, zijn niet gebaseerd op mondelinge overlevering van de verhalen maar op interpretatie van de oude Skald-gedichten. Die gedichten mag je dus als primaire Vikingbronnen gebruiken, maar die sagen zijn echt secondair, waarschuwt Winroth. Zo is ook de beroemde berserker in de verhalen gekomen: de woeste vikingstrijder die zich in trance drinkt om beresterk en ongevoelig voor pijn de strijd in te gaan. Over Britse dronken vandalen wordt nog altijd gezegd: he went berserk. Maar uit de Vikingtijd staat slechts in één gedicht ‘berserkir’ (‘berenhemden’): voordat de veldslag in Hafrsfjord begon ‘brulden de berenhemden en huilden de wolfshuiden’. Typisch een kenning voor krijgers in maliënkolders, aldus Winroth. Latere fantasten maakten er iets veel mooiers van.

Maar de kern van zijn boek is de nuchtere constatering dat de Vikingtochten ontstonden door de adelscultuur en chiefschap in de sterk verdeelde Scandinavische samenleving. Een ambitieuze chief met genoeg volgelingen kon enorme eer behalen met Frankische plunder en Engels goud. De zwakte van het Frankische rijk nodigde er toe uit. Als die tientallen, snel wisselende chiefs plaats maken voor één stabiele koning is het snel afgelopen met de Vikingtijd.