Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

Terrorisme

Ik ronsel niet, ik analyseer

Zes mannen zitten vast wegens ronselen voor de strijd in Syrië. Maar wanneer rónsel je nou en wanneer geef je gewoon je mening? De wet is er niet helder over en jurisprudentie is er nauwelijks.

foto: ANP

Wat mag je wel en wat mag je niet zeggen over de jihad in Syrië? Zes mannen uit Den Haag zijn volgens justitie te ver gegaan. Vorige week werd de 40-jarige Moussa L. opgepakt, eerder arresteerde de politie Azzedine C. (32), Oussama C. (18), Rudolph H. (24) en twee teruggekeerde Syriëgangers van 21 en 29 jaar. Ze zouden een organisatie vormen die jongeren ronselde voor de jihad in Syrië.

Volgens het wetboek van strafrecht is ronselen het ‘zonder toestemming van de Koning iemand werven voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd’. Maar wanneer iemand concreet werft, is niet helder. Je mag op iemand inpraten dat hij zich moet houden aan allerlei religieuze plichten, maar zodra dit overgaat in het ‘ideologisch rijp maken’ voor de strijd, is het verboden. Waar ligt de grens?

De leden van de vermeende ‘ronselorganisatie’ uit Den Haag kennen elkaar al jaren. In 2011 verenigen ze zich in de groepen Behind Bars en Straat Dawah, waarbinnen ze demonstraties houden en folders uitdelen op straat.

Straatpreken en sociale media

Wanneer de Syriëoorlog uitbreekt gaat een aantal vrienden uit de groep erheen om te vechten. In Nederland brandt een debat los over het gevaar van Syriëgangers. De thuisblijvers ontwikkelen zich als supporters van de strijders. Op demonstraties zwaaien ze met jihadvlaggen, op sociale media verheerlijken ze de strijd die hun vrienden in Syrië uitvechten.

Ook houden ze straatpreken over Syrië. Op de mobiel van Rudolph H. treft de politie een video waarop hij samen met Azzedine C. mensen op straat impliciet zou oproepen deel te nemen aan de strijd. „Vrees Allah, het is jullie plicht op te komen voor jullie broeders”, zegt hij. „Sta op voor je broeders in Syrië”, vult Azzedine aan.

Dat de preken een bewijs zijn van ronselen, betwijfelt André Seebregts, advocaat van Azzedine C. „Het zijn geen rechtstreekse aansporingen.” Ook elders in het strafdossier ziet de advocaat geen aanwijzingen voor ronselen. Volgens Seebregts probeert het OM met dit proces de „onwelgevallige ideologie” van zijn cliënt te verbieden.

Oproep tot jihad of politieke analyse?

Ronselen is lastig aan te tonen, zegt Piet Hein van Kempen, hoogleraar strafrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zeggen dat moslims naar Syrië moeten gaan om te helpen bij de omverwerping van het regime van Assad, is volgens hem niet per se ronselen. „Je moet bewijzen dat er opzet in het spel was, dat het echt iemands bedoeling was om mensen voor die strijd te werven.”

Vaak gaat het om indirecte oproepen, zegt Van Kempen. „Als iemand zegt: ‘Jongens, pak de wapens op en sluit je aan bij IS’, dan is het een directe aansporing. Maar wanneer iemand in het algemeen verklaart dat mensen moeten helpen om Assad te bestrijden, is dat indirect. Dan rijst de vraag: is dit oproepen tot jihad of is het een politieke analyse?”

Hoe direct de verdachten zich hebben uitgelaten over de jihad, is niet bekend. Er zou in elk geval „contact” zijn geweest tussen de verdachten en vijf mannen die daadwerkelijk afreisden naar Syrië.

Kamikazepiloten

Ook heeft Oussama zich in een afgeluisterd telefoongesprek positief uitgesproken over zelfmoordaanslagen. Zolang deze zelfmoordacties gericht zijn tegen een andere gewapende groepering en niet tegen burgers, zijn deze toegestaan, zou hij hebben gezegd. Volgens advocaat Michiel Pestman zijn de opmerkingen van zijn cliënt in lijn met het oorlogsrecht. „In tijden van oorlog mag je jezelf opblazen, dat deden de kamikazepiloten ook.”

Maar het merendeel van het dossier bestaat volgens de advocaten uit social- mediaberichten. Hierin zouden de verdachten de jihad in Syrië hebben verheerlijkt. Volgens het OM was het doel van deze berichten om „jongeren te verleiden mee te doen aan de gewapende strijd”.

Dit kan ook als ronselen worden gezien, zegt het OM. Een voorbeeld hiervan is een preek die Oussama C. op YouTube houdt. Hierin zegt hij dat het „martelaarsschap” de „beste” en „meest gegarandeerde” methode is om het paradijs te betreden. Moslims dienen hun „kennis in daden te veranderen”, zegt C. „Als wij onze kennis hadden omgezet in daden, zat niemand meer hier. Geen van ons hoort hier te zijn. [...] Wij dienen te staan tot het laatste moment, tot onze laatste adem, om de sharia van Allah te implementeren. Om een Islamitische Staat te vestigen in Afghanistan, in Shaam [Syrië, red], over de hele wereld.”

Weinig precedenten

Heeft Oussama met zijn preek mensen geronseld? De wet is er niet helemaal helder over. Jurisprudentie is er ook nauwelijks. Het enige ‘ronselproces’ vond plaats in 2011 tegen de Hofstadgroep. Alleen is die zaak slecht vergelijkbaar, omdat de ronselaar destijds een stuk verder ging dan de jihadistengroep die nu vastzit. Er werden toen schiettrainingen gegeven en filmpjes getoond over het maken van een bomgordel.

Volgens hoogleraar Van Kempen „schuurt” een vervolging wegens ronselen al gauw met de vrijheid van meningsuiting. „Als je het standpunt hebt dat Assad moet worden verdreven en de Islamitische Staat een goed idee is, is dat meningsuiting. Het is de vraag of we dat moeten willen verbieden. Ik denk dat het wel mogelijk moet blijven om te zeggen voor wie je bent in een oorlog.”

Zo ziet advocaat Pestman het ook. „De grote vraag in dit proces is wat je in Nederland wel en niet mag zeggen”, aldus Pestman. „Bij de invoering van de nieuwe wet werd gezegd dat ronselen hetzelfde is als iemand geestelijk rijp maken voor de strijd. Ja, als je de lat zó laag legt, wordt het wel heel makkelijk om iemand te vervolgen.

„Als je zegt dat er goede dingen gebeuren in de Islamitische Staat, ben je dan aan het geestelijk rijp maken? Dan zouden heel veel orthodoxe moslims in Nederland vervolgd kunnen worden.”