Een woud van innovatiesubsidies

Er zijn 197 regelingen die bedrijven tot vernieuwing aansporen. In totaal ruim 2 miljard euro. Wie profiteren en helpen ze de economie?

Meeste steun zit in garantstellingen
Meeste steun zit in garantstellingen

Nu heet het heel modern ‘R&D’, research & development. Twintig jaar geleden noemden we het nog oer-Hollands ‘speur- en ontwikkelingswerk’. In 1994 lanceerde het ministerie van Economische Zaken de fiscale regeling WBSO, voluit: Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk. Die geeft bedrijven korting op loonkosten voor innovatiewerkers.

De WBSO is inmiddels met 802 miljoen euro (in 2015) uitgegroeid de grootste post van minister Henk Kamp (Economische Zaken, VVD) om de Nederland innovatiever, slimmer en concurrerender te maken.

Deze week verdedigt Kamp zijn begroting voor 2015 in de Tweede Kamer. Het innovatiebeleid, in de afgelopen crisisjaren door Kamp als hoogst noodzakelijk bestempeld, zal dan een terugkerend thema zijn. Het gaat om veel geld en het roept ook kritiek op: levert het wel banen op?

Beleid om bedrijvigheid te stimuleren is van alle tijden, maar verandert elke paar jaar van aard en omvang. Kamps voorganger Maxime Verhagen (CDA) kondigde begin 2011 zijn ‘Topsectorenbeleid’ aan, voor negen sectoren. Hij beloofde vanaf 2015 1,5 miljard euro per jaar aan kennis- en onderwijsinstellingen. Zij moeten hun onderzoek en slimme studenten beschikbaar stellen aan bedrijven.

Kamp verbreedde het topsectorenbeleid en noemt het ‘Bedrijvenbeleid’. Twee concrete doelstellingen daarvan zijn Nederland op te stoten tot de mondiale top 5 van ‘kenniseconomieën’ en de gezamenlijke investeringen in R&D op te voeren naar 2,5 procent van het bruto binnenlands product (650 miljard euro).

Geregeld verschijnen evaluaties van dit beleid. Volgens EZ blijkt daaruit dat het „op koers ligt”. Hoewel Nederland in de afgelopen jaren is gedaald op de Global Competitiveness Index naar de achtste plek, „is er sprake van een verbetering”. Het budget ligt weliswaar nog onder 2 procent bbp, maar „laat een stijgende trend zien”.

Stroperigheid

Volgens critici laten de vruchten van het innovatiebeleid zich nog helemaal niet meten. Wel valt vast te stellen dat de beloofde 1,5 miljard er niet komt. Voor komend jaar heeft Kamp iets meer dan 1,1 miljard euro „specifiek voor topsectoren” uitgetrokken. Dat budget wordt tot 2018 afgebouwd tot ruim 980 miljoen.

Niettemin begint volgens Henk Volberda, hoogleraar strategisch bedrijfsbeleid in Rotterdam, het topsectorenbeleid „na jaren van stroperigheid eindelijk te draaien”. Maar of er werkelijk meer werkgelegenheid is ontstaan, extra export of aan topsectoren toe te rekenen economische groei, vindt hij lastig te berekenen.

Uit eerste onderzoek blijkt volgens Volberda dat de extra bestedingen aan innovatie onevenredig over de topsectoren zijn verdeeld. „Chemie en hightech doen het goed, de tuinbouw en de creatieve sector blijven achter.” Hij weet ook hoe dat komt: in chemie en hightech zitten de grote jongens als DSM, Philips en ASML.

Hiermee raakt Volberda een breed gevoeld nadeel: alleen grote bedrijven profiteren van het topsectorenbeleid. „Er is niks mis met TomTom, maar we zouden juist nieuwe TomToms moeten krijgen.”

Voorzitter Hans Biesheuvel van Ondernemend Nederland (ONL) valt hem bij: „Voor het midden- en kleinbedrijf is het lastig om aan te haken.” Het mkb heeft nog een probleem, dat ook minister Kamp erkent. Voor deze bedrijven is het sinds de financiële crisis nog altijd lastig kredieten los te peuteren. Banken zijn terughoudend: zij moeten hun balansen moeten opschonen en hogere buffers aanhouden.

Kamp kondigde in juli aanvullende maatregelen aan om zowel mkb-financiering vlot te trekken als innovatie in het mkb te stimuleren. Zo wordt het Innovatiefonds met 100 miljoen euro uitgebreid.

Deze steun wordt gewaardeerd. Maar zegt Biesheuvel: „Er is met alle aanvullende maatregelen wel een nieuw woud aan regelingen ontstaan, waarin kleine ondernemers vooral verdwalen en dan vaak terugschrikken voor een aanvraag.”

Het palet aan subsidies voor het bedrijfsleven is inderdaad nog altijd uitgebreid en onoverzichtelijk. Desgevraagd stuurt het ministerie een handzaam lijstje met twaalf regelingen. Maar achterin de Begroting 2015 staat een veel uitgebreider subsidieoverzicht: 197 regelingen, variërend van ‘Internationaal innoveren’ tot ‘Subsidieregeling jonge agrariërs’.

Vertekend beeld

Alles bij elkaar staat voor ruim 2,1 miljard aan EZ-subsidies in de boeken. Dat is een kleine 200 miljoen méér dan de subsidiepot van vorig jaar. En de komende jaren zal die nog verder groeien naar ruim 3,1 miljard, waarvan ruim 1,4 miljard ten gunste van (duurzame) energie – een van de topsectoren.

Toch geven deze getallen een vertekend beeld. Volgens Thomas Grosfeld van werkgeversorganisatie VNO-NCW was het topsectorenbeleid een verkapte bezuiniging. Door vele bestaande regelingen en het Fonds Economische Structuurversterking (gevoed uit aardgasbaten) te schrappen, bespaarde de overheid een half miljard.

Extra fiscale middelen die daarvoor in de plaats zouden komen, zijn door het huidige kabinet grotendeels teruggedraaid. De begroting van EZ liep in de afgelopen jaren terug van ruim 5,4 miljard naar een kleine 4,9 miljard euro.

Volgens VNO-NCW heeft EZ-beleid van de afgelopen jaren de economische crisis op microniveau wel minder diep gemaakt. „Iedere ondernemer die dankzij een lening, subsidie of garantie van EZ de crisis wist te overleven, is winst.”

Maar er moet méér gebeuren, vindt de werkgeversorganisatie. Bij een „verhoging van het budget”, schrijft zij aan parlement en minister, „kan het topsectorenbeleid nog aan kracht winnen”.