Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Cultuur

‘Cellisten zijn nu eenmaal ijdel’

Tijdens de vijfde Cello Biënnale Amsterdam krijgt de 80-jarige veelzijdige cellist Anner Bijlsma een oeuvreprijs. Het Kroatische duo 2Cellos geeft er een nachtconcert.

Anner Bijlsma: „Je moet grote sprongen maken op dat grote houten ding.”
Anner Bijlsma: „Je moet grote sprongen maken op dat grote houten ding.” Foto Andreas Terlaak

Op de allereerste Cello Biënnale gaf Anner Bijlsma zijn allerlaatste concert. Op een vroege ochtend in oktober 2006 speelde Bijlsma Bachs Eerste suite voor solocello in Muziekgebouw aan ’t IJ. Een progressieve spierziekte maakte het hem toen al onmogelijk om zijn derde vinger te gebruiken. „Ooit beweerde ik hoe makkelijk die eerste suite is, maar nu was ik blij dat ik het einde haalde”, blikt Bijlsma terug. „Het was het type concert waarvan men later zei: het deugde van geen kant met die ouwe muzikant, maar het had tóch karakter. Ik ben thuis nog lang doorgegaan, in het donker, tot ik bang was dat de cello uit mijn vingers zou vallen. Inmiddels doet geen enkele vinger het echt meer. Maar zo erg als ALS is de ziekte nu ook weer niet.”

Inmiddels is Bijlsma tachtig jaar geworden. Tijdens de vijfde Cello Biënnale Amsterdam wordt een concert aan hem opgedragen en krijgt hij een oeuvreprijs van 50.000 euro, te besteden aan talentontwikkeling. De erkenning voor de veelzijdige cellist is terecht. Bovendien speelde hij een cruciale rol voor de Biënnale: voor de eerste editie had de wereldberoemde Bijlsma zijn leerling, artistiek leider Maarten Mostert, goed geholpen bij het ronselen van de vele cellisten.

„Ten eerste wil ik iets zeggen over de cello als instrument”, zegt de inmiddels 80-jarige Anner Bijlsma met permanent twinkelende ogen, in zijn huis aan het Vondelpark. Hij heeft aan de keukentafel plaatsgenomen op zijn rollator, die ook als stoel dienst doet. „De cello is het meest veelzijdige instrument. Je kunt er de melodie op spelen maar ook de bas. Let maar eens op tijdens de Cellobiënnale, je ziet hoe divers het gebruik is, van cello-orkestje tot improvisaties. Bovendien zijn cellisten aardige mensen. Rostropovitsj heeft tot het eind van zijn leven kamermuziek gespeeld, als bescheiden onderdeel van een groter geheel. Als je een biënnale over de viool wilt organiseren, moet je zeven festivals houden: elke beroemdheid z’n eigen festival. Cellisten kun je gewoon bij elkaar zetten.”

Dit is de cue voor zijn echtgenote, de violiste Vera Beths, om de keuken te verlaten. „Ik moet gaan, wij violen worden door het slijk gehaald”, zegt ze lachend. „Nee hoor”, sust Bijlsma, „de viool is het mooiste wat er bestaat. Maar de cello is nu eenmaal veelzijdiger. Onhandiger trouwens ook. Zo’n grote dikke kist, je moet zien dat je het daarmee op een akkoordje gooit. Je moet grote sprongen maken op dat grote houten ding. Een cellist is een aardige vent, maar heeft meestal twee dikke lijnen omlaag langs zijn mond.”

Anner Bijlsma heeft een indrukwekkende carrière achter de rug. Hij speelde moderne muziek in een ensemble met onder anderen pianist Reinbert de Leeuw. Van 1962 tot 1968 voerde hij de cellosectie van het Concertgebouworkest aan. Maar met zijn interpretaties van Beethoven, Boccherini en met name Bach werd hij wereldwijd het beroemdst.

„Cello met zang is deze komende editie van de Biënnale (getiteld ‘Cello&Voice’) een heel belangrijk thema. Maar zelf vind ik de sprékende cello het boeiendst. Violisten denken dat alles melodie is. Maar een melodie is pas melodie als er een harmonie onder zit. En Bach wist dat als geen ander. Bijna alle muziek is gesproken muziek, behalve bij Wagner. Tekst en muziek gaan bij Wagner slecht samen. Je ziet de mond van de sopraan bewegen, maar wat ze zegt hoor je toch niet.”

Bijlsma noteerde zijn opvattingen over ‘gesproken’ muziek in The fencing master, een boek over de op- en afstreken in de cellosuites van Bach. „Dat deed ik omdat ik vond dat Bach slecht werd uitgevoerd. Die muziek zit retorisch sterk in elkaar, maar dat moet je met streekvariaties duidelijk maken. Dus in de eerste suite niet alles onder één boog gladstrijken. Een van de ergste ontwikkelingen in de muziek is het vak solfège, waarin je leert om precies uit te voeren wat er staat. Maar niet elke kwartnoot is even lang, dat hangt maar net van de zinsbouw af. Vergelijk het met het reciteren van poëzie.”

Bijlsma zegt dat het niet heel erg was om de cello voorgoed op te bergen. „Ik ben nooit zo’n hartstochtelijk cellist geweest. Ik was daar te lui voor, studeerde nooit heel lang. Ik vind het wel leuk om dingen uit te zoeken, maar niet om hele avonden te zwoegen.”

In 1982 noteerde Jan Brokken namens de Haagse Post de volgende uitspraak van een 48-jarige Bijlsma: „Op de dag dat ik met die cello stop wil ik er ook niets meer van weten. Als je niet meer speelt krijg je namelijk geen correctie op je eigen ijdelheid, waardoor je jezelf, terugkijkend, steeds groter gaat zien.”

Houdt hij zich wel aan die afspraak? Bijlsma geeft immers nog steeds boeken uit in eigen beheer over de cello- en vioolsuites, en geeft tijdens de Biënnale een masterclass. „Ik vind het heel erg goed dat ik dat toen gezegd heb. Je moet inderdaad oppassen, als je oude platen hoort ga je die ook steeds mooier vinden. Cellisten zijn nu eenmaal ijdel, met die prachtige ronde toon.”