Wie hier blijft, speelt met zijn leven

Honduras

In een stad waar moordzuchtige bendes de straten beheersen, is de drang om weg te gaan enorm. „De samenleving is bang.”

Voet van 17-jarige die lopend door Mexico op weg was naar de VS; boven:Hondurees jongetje in bus met uit Mexico teruggestuurde migranten;Hondurese jongen die naar VS zou worden gesmokkeld.
Voet van 17-jarige die lopend door Mexico op weg was naar de VS; boven:Hondurees jongetje in bus met uit Mexico teruggestuurde migranten;Hondurese jongen die naar VS zou worden gesmokkeld. Foto’s Miguel Juarez Luga/Zuma Press/ Hollandse Hoogte

Cristian Quijada Zelaya pakt zijn blauw-witte voetbal en draait hem rond in zijn handen. De 12-jarige Hondurese jongen heeft de namen van zijn vriendjes erop geschreven. Dit is het enige wat hij over een paar weken meeneemt naar Amerika, plus wat kleren.

Trots zegt de tengere jongen dat hij helemaal alleen gaat reizen. Ruim 2.300 kilometer, over drie grenzen, door rivieren en woestijnen. Na even doorvragen blijkt dat hij meegaat met een coyote, een mensensmokkelaar.

Cristian volgt het pad van tienduizenden kinderen uit Midden-Amerika. Tussen 1 oktober 2013 en 31 augustus 2014 kwamen ruim 66.000 kinderen zonder naaste familie aan in de Verenigde Staten. Nog eens ruim 66.000 arriveerden met gezin.

Het recordaantal minderjarige migranten heeft Amerika overrompeld. Anders dan volwassenen hebben de kinderen recht op een asielzitting. Wachtend op een afspraak worden ze opgevangen in de VS, vaak bij familieleden die eerder migreerden. Dat kan maanden of jaren duren.

Republikeinen in het Amerikaanse Congres willen kinderen uit Honduras, El Salvador of Guatemala meteen uitzetten, zoals al wordt gedaan met minderjarigen uit Mexico. Het Congres weigert extra geld vrij te maken voor hun opvang zolang president Obama de regels niet aanscherpt.

Maar zal dat de kinderkaravaan keren? De wens om weg te willen is enorm in dit gewelddadige deel van de wereld. De laatste maanden zijn er minder kinderen aangekomen in de VS, maar dat lijkt vooral te maken te hebben met aangescherpte controles in Mexico, niet met betere omstandigheden in de landen van herkomst.

Cristian, die in de VS profvoetballer wil worden, wijst op zijn wang en zijn voorhoofd. Daar raakten de kogels een 16-jarige buurjongen, die deze zomer voor zijn ogen werd doodgeschoten. „Ik speelde op straat toen het gebeurde.”

San Pedro Sula, waar hij woont, is de gevaarlijkste stad ter wereld buiten oorlogsgebied. Vorig jaar werden er 187 moorden gepleegd per 100.000 inwoners. Ter vergelijking, in Los Angeles, waar veel migranten uit Honduras terechtkomen als ze Amerika halen, ligt dat cijfer op 6,6 per 100.000.

Cristian wordt opgevoed door zijn oma, iets wat veel gebeurt in Honduras. De kieren in de houten wanden van de enige kamer zijn afgedekt met plastic en karton. Zijn ouders vertrokken naar de VS toen hij een kleuter was. Papa is een werkloze dakdekker, mama is schoonmaakster.

Het huisje van zijn oma staat langs een van de tropische rivieren van San Pedro Sula, die regelmatig overstromen. Hier wonen de armste mensen van deze afgetakelde industriestad, vaak afkomstig van het nog armere platteland. Kinderen en magere honden rennen door de modderstraten.

Voor het huis van Cristians oma heeft straatbende Mara Salvatrucha de macht, achter het huis Barrio 18. De bendes hebben wortels in Amerika, waar veel Midden-Amerikanen naartoe vluchtten tijdens burgeroorlogen in de jaren 80. Toen ze terugkeerden, verspreidden de bendes zich.

Het geweld is geëscaleerd sinds de bendes zijn opgenomen in de hiërarchie van de internationale drugshandel. De voornamelijk jonge bendeleden voeren huurmoorden en andere klussen uit voor de drugskartels. Ze krijgen betaald in drugs en wapens, die zo hun weg vinden naar de wijken.

Vriendjes van Cristian zijn al gerekruteerd. Vanaf een jaar of twaalf, soms jonger, werken kinderen als halcón (valk): ze waarschuwen als vreemden het territorium van de bende betreden. Steeds zwaardere opdrachten volgen tot ze volwaardig lid zijn: beroven, afpersen, moorden.

De coyote waar Cristian straks mee gaat reizen kwam twee maanden geleden al zijn zusje (10) en broertje (9) halen. Ze zijn inmiddels bij hun ouders in Kentucky. Zijn moeder moest eerst weer sparen om hem te laten komen. „Mijn zusje zegt dat het heel mooi is in Amerika. Ze speelt spelletjes op een mobiele telefoon.”

Zijn oma is bezorgd over de lange tocht die haar kleinzoon gaat maken, per bus en te voet. „De route is vol gevaren,” zegt de 56-jarige Ana Sarmiento. Maar voor jongens als Cristian is blijven nog gevaarlijker.

Regels geschreven in bloed

De sociologe Ada Cantarero zoekt in haar kantoor op de universiteit van San Pedro Sula naar het rapport met de recentste moordcijfers van de stad. Daar heeft ze het: 1.290 moorden in 2012, 1.458 in 2013. Dit jaar worden de statistieken niet beter, voorspelt ze op basis van de gegevens van het mortuarium en de politie.

Cantarero, directrice van het lokale Observatorium voor Geweld, heeft zich niet populair gemaakt bij het stadsbestuur. „Bij een presentatie van de cijfers zeiden ze dat ik een zwart beeld schets,” vertelt ze. „Maar het is helaas de realiteit.”

Niet lang geleden was San Pedro Sula nog een bedrijvige exportstad. Een belastingvrije zone, omringd door bananenplantages en dichtbij de Caraïbische kust. Buitenlandse investeerders staken geld in fabrieken voor kleding en auto-onderdelen. Die zogenaamde ‘maquilas’ gaven werk aan een op de acht mensen in de stad, die in korte tijd groeide tot driekwart miljoen inwoners.

Tot de wereldwijde crisis van 2008. Amerikaanse bedrijven trokken hun investeringen terug, het aantal orders daalde. Ontslagen volgden, ook door concurrentie uit Azië. Nu herinneren alleen nog de afbladderende internationale hotelketens langs de brede wegen van San Pedro Sula aan die tijden.

Intussen bloeide de internationale drugshandel. Colombiaanse en Mexicaanse kartels verlegden de transportroutes naar de Caraïben toen de overheid in hun landen harder ging optreden. Naar schatting 80 procent van de Zuid-Amerikaanse cocaïne gaat nu via Honduras naar de Verenigde Staten en de rest van de wereld.

Waarom gaat het met zoveel geweld gepaard? Omdat moord het ultieme machtsmiddel is, zegt Cantarero. Een drugshandelaar die niet betaalt voor een partij cocaïne wordt vermoord – net als zijn familie. Een buurtbewoner die een bendelid verklikt ook. Een ondernemer die geen ‘oorlogsbelasting’ wil afdragen: idem.

Bij de straatbendes, meer nog dan de kartels, zijn de interne regels geschreven in bloed. Als ontgroening moeten nieuwe leden iemand vermoorden – een vijand, of desnoods een voorbijganger. Wie de bende wil verlaten betaalt met zijn eigen leven. Of zijn moeder krijgt de kogel. Bloed in, bloed uit.

Zoveel geweld kan alleen voortduren bij de gratie van een falende overheid, zegt Cantarero. Het mortuarium van San Pedro Sula, een publieke instantie, heeft onvoldoende mensen en middelen voor gedegen forensisch onderzoek. De politie ook. „De inspectie van een plaats delict hoort drie uur te duren. Maar soms moeten ze na een kwartier alweer naar de volgende moord.”

Dat, plus de achterstanden bij de rechtbanken, maakt dat 98 procent van de moordzaken in Honduras onopgelost blijft. De regering heeft dit jaar een speciale veiligheidsbelasting ingevoerd om leger, politie en justitie te versterken. Maar Cantarero verwacht er weinig van: alle lagen van de overheid zijn corrupt.

Terwijl criminelen vrijuit gaan bij de ergste misdaden, leven burgers in „een gevangenis”, zegt de sociologe. De rijken van San Pedro Sula, vaak wonend in de heuvels, hebben grote hekken om hun huizen gezet. Voor restaurants en winkels staan gewapende bewakers. „De samenleving is bang. Niemand vertrouwt elkaar.”

Voor de inwoners van de arbeiderswijken, waar volgens een kaart van het Observatorium voor Geweld veruit de meeste doden vallen, is vluchten vaak de enige optie. Cantarero steunt de oproep van VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR om kindmigranten uit Honduras (en de rest van Midden-Amerika) te beschouwen als vluchtelingen voor een gewapend conflict. „Hun leven loopt gevaar.”

De hele nacht hoorde je schoten

Osman Oseguera, officier van de militaire politie, rijdt met zijn zwaarbewapende team door Chamelecón, een van de gewelddadigste buurten van San Pedro Sula. „Hier loopt een grens”, zegt Oseguera om de paar minuten. „Daar ook.”

De straten van Chamelecón zijn een schaakbord waarvan de velden zijn verdeeld tussen de bendes. Bewoners blijven binnen onzichtbare lijnen. Wie zich in een vijandig vak begeeft, speelt met zijn leven.

Huis na huis staat leeg. In de pastelkleurige muren zitten kogelgaten. De daken zijn gestolen, de deuren ook. De bendeoorlog heeft de bewoners verdreven. In de verlaten kamers vallen de tropische zon en regen ongehinderd binnen.

De nieuwe president van Honduras, Juan Orlando Hernández, heeft in mei de militaire politie ingezet in wijken als Chamelecón. De nationale politie durfde er niet meer te komen. Langzaam komen bewoners terug, zegt Oseguera, wijzend op een man die een muur metselt.

Gladys, een 46-jarige huisvrouw, is net terug in Chamelecón na twee jaar verblijf in een andere wijk. De kogelgaten zitten nog in het golfplaten dak van haar huis. Aan de pas geverfde paarse muren hangen familiefoto’s en knutselwerkjes van haar vier kleinkinderen, op wie ze veel past.

De vrouw fluistert als ze het over ‘los malos’ heeft, de slechteriken, en durft haar achternaam niet te geven. Al is ze minder bang sinds de komst van de militaire politie. „Vroeger kon ik niet slapen zonder pillen. De hele nacht hoorde je schoten.”

Veel van haar buren zijn nog weg. Eigenlijk wilde zij ook niet terug naar Chamelecón, maar de huur van het andere huis was te hoog. „Het liefst ging ik naar het buitenland. Waar maakt me niet uit. Zolang er maar vrede is.”

Officier Oseguera knikt richting een groen hoekhuis: een uitvalsbasis van Barrio 18. De bendes elimineren is onmogelijk, zegt hij. Maar sinds de komst van de militaire politie houden ze zich gedeisd.

Oseguera vertelt dat de buurtbewoners niet meewerken met de militaire politie. Te bang. Een moord, een verkrachting: niemand heeft iets gezien. Hij herhaalt een gezegde van de bendes: „Tussen gesloten lippen kruipen geen vliegen naar binnen.”

In de VS was dit nooit gebeurd

Een stoffige groene pick-up komt aanrijden bij het mortuarium van San Pedro Sula. In de cabine zitten vier mensen, in de achterbak hurken er nog eens vijf. Een doodskist van zwartgeverfd hout steekt over de laadklep.

De familie Lemus Gomez komt haar jongste zoon ophalen. De 23-jarige vader van twee kinderen is de dag daarvoor doodgeschoten. „Waarom en door wie weten we niet,” zegt zijn vader Candelario, een kromgebogen man met tanden zo dun als lucifers. „Hij verkocht bonen en maïs en deed niemand kwaad.”

Tussen de palmen bij het lijkenhuis wachten meer families op lichamen die worden vrijgegeven na forensisch onderzoek. De sfeer is gelaten. Op een lange bank bij de ingang leunt een vrouw tegen een doodskist, haar ogen gesloten.

Het mortuarium van San Pedro Sula kan de moordexplosie niet aan. De autopsieartsen hebben te weinig tijd en geld voor gedegen onderzoek – soms zijn zelfs de latex handschoenen op. Een roestige koelwagen staat naast het vervallen gebouw als extra opslag voor de lichamen.

Aurelia Ulloa Flores komt teleurgesteld naar buiten. Nog steeds zijn er geen resultaten van het DNA-onderzoek van haar broer. Hij werd twee maanden geleden doodgeschoten. Vierentwintig kogels in het gezicht. Dat maakt identificatie moeilijk.

Haar broer woonde jarenlang illegaal in de VS, maar werd teruggestuurd. De oudere zus, die als enige van twaalf broers en zussen nog in Honduras woont, erkent dat zijn dood het gevolg was van een ruzie. „In de VS was dit nooit gebeurd,” zegt ze. „Hij had daar werk en bleef uit de problemen.”

De trek blijft doorgaan

Een dikke vrouw trekt zwarte veters uit een plastic verpakking. Jonge mannen knielen en rijgen ze in hun schoenen. In deze loods achter het vliegveld van San Pedro Sula landen iedere werkdag twee vluchten met uitgezette Hondurezen. In detentiecentra in Amerika zijn hun veters en riemen afgenomen.

Valdete Willeman, een kleine non met luide stem, vangt de vluchten al tien jaar op. Dit jaar zijn er al 27.000 migranten teruggestuurd naar Honduras. Sommigen woonden al jaren in de VS, anderen waren net de grens overgestoken.

De afgelopen jaren is het aantal gedeporteerden telkens met 10 tot 15 procent gestegen, zegt de in Brazilië geboren non. Een reflectie van de toegenomen migratie naar de Verenigde Staten én van de aanhoudende inspanningen in het noorden om mensen terug te sturen.

In de loods zijn deze zomer ook de passagiers van twee vluchten met in totaal 180 kinderen aangekomen. Een publiciteitsstunt van Amerika, zegt Willeman. Bedoeld als waarschuwing dat ook minderjarigen geen verblijfsvergunning krijgen. Maar bij die twee vluchten is het gebleven.

De Verenigde Staten behandelen migranten als criminelen, vindt de non. Zeker, er zitten soms veroordeelde misdadigers tussen. Maar van de meeste migranten is het enige vergrijp dat ze een betere toekomst zochten.

Nog minder sympathie heeft Willeman voor de overheid van Honduras. Daar ligt de bron van het migratieprobleem, vindt ze. In plaats van de staatskas leeg te roven zouden politici en ambtenaren moeten zorgen voor goede scholen, ziekenhuizen, werk. „Hier is niets.”

De trek blijft voorlopig doorgaan, verwacht ze. Tienduizenden migranten die via Guatemala en Mexico naar de VS proberen te komen. Tienduizenden die terug worden gestuurd. Uitgezette illegalen die wéér de bus nemen. Veters die worden afgepakt. Veters die worden uitgedeeld.

„Sommige mensen heb ik al zes of zeven keer voorbij zien komen,” zegt Willeman. „Zodra ze hier naar buiten lopen, zijn ze alweer onderweg naar het noorden.”