Mijn familie laat zien wat oorlog betekent

Voormalig oorlogscorrespondent Alexander Münninghoff stamt af van een Russische gravin, een SS’er en een spion van de geallieerden. Hij schreef een familiekroniek die „voelt als uit de kast komen”.

Tekst Jannetje Koelewijn Foto’s Merlijn Doomernik

Alexander Münninghoff, oud-correspondent in Moskou, schreef zijn complexe familiegeschiedenis op. „Vroeger kon je onmogelijk over dit soort zaken praten, nu begint er wat meer begrip voor te komen.”

Als je De stamhouder, een familiekroniek hebt gelezen, kun je niet meer met normale ogen naar Alexander Münninghoff kijken, de zeventigjarige schrijver ervan, voorheen verslaggever en correspondent in Moskou. Wat een krankzinnige geschiedenis.

Zijn grootmoeder was een Russische gravin die geen hofdame bij de tsaar wenste te worden en in 1916 als verpleegster naar de Russische stad Astrachan ging om gewonde soldaten te verzorgen. Zijn grootvader, geboren in het Gooi, werd op sluwe wijze een van de rijkste mannen van Letland, maar vluchtte vlak voor de Tweede Wereldoorlog met vrouw en kinderen naar Nederland, met achterlating van al zijn huizen en fabrieken.

En dan de vader van Münninghoff. Die sloot zich, een jongen van twintig, aan bij de Waffen-SS om tegen de Sovjet-Unie te vechten (en de Letse bezittingen terug te krijgen), terwijl de Oude Heer – zoals Münninghoff zijn grootvader in zijn boek noemt – spioneerde voor de geallieerden. Het was voor de oorlog al niet goed tussen die twee, daarna werd het een tragedie. Rechtszaken, celstraffen, drankzucht en totale verloedering.

Alexander Münninghoff werd op 13 april 1944 geboren in Posen, voorheen het Poolse Poznan, maar op dat moment een Duitse stad in brand door aanhoudende bombardementen. Tot zijn zesde woonde hij, een verwend prinsje, bij zijn grootouders in hun villa in Voorburg. Op zijn zevende ontvoerde zijn moeder hem naar Duitsland – doffe armoede. Twee maanden later lokte een zogenaamde tante hem met een chocoladereep naar haar Volkswagen, bedwelmde hem met chloroform en ontvoerde hem naar Nederland. Zijn moeder liet niets meer van zich horen. Hij zag haar pas achttien jaar later weer terug.

Een huis vol schilderijen en antieke meubelen in het Haagse Statenkwartier. Münninghoffs vrouw, Ellen, schenkt thee in en knikt haar man bemoedigend toe. Een stoere Slowaakse schilder zet de buitenboel opnieuw in de verf.

„Vijftien jaar geleden ben ik met dat boek begonnen”, zegt Münninghoff. „In die tijd is mijn appreciatie voor mijn vader erg eh… negatief geworden. Je bent als kind geneigd de steken die je ouders hebben laten vallen toch een beetje te vergoelijken, maar als ik het bij elkaar optel… Aan de andere kant, ik ben niet overdreven veel geslagen of dat soort dingen. Geen excessen.”

U wil zeggen dat het wel meeviel?

„Ja, ja. Tot ik het allemaal ging opschrijven.”

U dácht altijd dat het was meegevallen?

„Ik kon er wel mee leven, ja. Ik vond het bijvoorbeeld best fijn dat ik enig kind was. Ik hoefde mijn oordelen niet aan die van een broer of zuster te toetsen en aan te passen. Het moet erg de spuigaten uitlopen voordat je je vader in het openbaar een dikke onvoldoende geeft. En toch heb ik dat nu gedaan.”

Met welk idee bent u De stamhouder gaan schrijven?

„Na mijn vaders dood vond ik een doos met documenten, onder andere de verslagen van de rechtszittingen na de oorlog – mijn vader was aangeklaagd wegens toetreding tot vreemde krijgsdienst – en ook van de rechtszaken die mijn grootvader tegen mijn moeder had aangespannen om haar de voogdij over mij te ontnemen. Ik dacht: daar moet ik wat mee. De spionageverhalen van mijn grootvader hadden me altijd al geïntrigeerd. Zijn zoon vecht aan het Oostfront en zelf speelt hij informatie door naar Engeland over de voorbereidingen van de aanslag op Hitler.”

Wilde u verwerken dat u de zoon van een nazi bent?

„Het is moeilijk uit te leggen, maar mijn vader was geen echte nazi. Hij was vooral heel erg tegen de bolsjewieken, die in 1939 Letland hadden bezet. Vroeger, in de jaren zestig en zeventig, kon je onmogelijk over dit soort zaken praten, nu begint er wat meer begrip voor te komen. Ellen was de eerste aan wie ik het allemaal verteld heb, voor ons huwelijk. Dat ik het allemaal heb opgeschreven voelt als uit de kast komen. Oorlog is nooit eenduidig, dat is bij mij in de jaren dat ik als oorlogsverslaggever werkte altijd een groot punt geweest. Iran-Irak, Libanon, Cambodja, El Salvador, Joegoslavië, ik ben er allemaal bij geweest, en ik weet dat de berichtgeving erover nooit toereikend is. Er gebeuren zoveel dingen die niet aan het licht komen, er is zoveel verwarring en tweeslachtigheid. In dat kader leek me de geschiedenis van mijn familie illustratief.”

Uw grootvader maakte in de oorlog ook gebruik van de positie van uw vader als hem dat zakelijke voordelen opleverde.

„Nou en of. Mein Sohn, wie Sie wissen, kämpft in Russland, wo er verwundet war und das Eiserne Kreuz für Tapferkeit bekommen hat… De Oude Heer was de ultieme zakenman, de vleesgeworden opportunist. In de oorlog verdiende hij veel geld met de verkoop van Zweedse turfmotoren, na de oorlog met de productie van glas en tegels voor de wederopbouw. Moreel gesproken had ik van hem geen hoge pet op. Nou ja” – hij slaat zijn ogen neer en glimlacht – „ook niet van mezelf.”

Hij stuurde uw vader als jongetje van elf, dat nauwelijks Nederlands sprak, naar de Fraters van Tilburg in Oss.

„Godallemachtig, dat was verschrikkelijk. Geen seconde is erover nagedacht hoe dat voor mijn vader was. Dat hele gezin van mijn grootouders in Riga – ik bedoel, mijn grootmoeder was een fantastisch mens, maar het kwam regelmatig voor dat ze voor een week of zes in haar Hanomag-cabriolet naar Nice afreisde om zich te verliezen in losbandigheid en dan moesten haar vriendinnen haar eraan herinneren dat ze thuis nog kleine kinderen had. Mijn vader was gewend om met zijn vriendjes te paard over de Baltische vlakten te draven, chargerend met de blanke sabel, en die wordt dan verbannen naar een klooster in een of ander kikkerlandje waar de mensen fíetsen. Ik ben mijn boek nu aan het voorlezen aan Ellen Vogel, de actrice, ze is aangetrouwde familie van me, en ze is vrijwel blind, vandaar, en zij zegt: je vader was een in de steek gelaten klein kind dat houvast zocht en dat vond hij bij Hitler. Jaja, een kind, maar wel een kwaadaardig kind. Althans zelfzuchtig.”

En getraumatiseerd. Wat hij u vertelde over de man-tegen-mangevechten aan het front…

„Zo! Die keer dat hij door een maïsveld sloop en opeens oog in oog stond met een Sovjetluitenant. Die Rus is net iets eerder met het richten van zijn Tokarev dan mijn vader, maar dat ding weigert en het eindigt ermee dat mijn vader hem met zijn pioniersschop een geweldige klap dwars over zijn gezicht geeft. Op slag dood.”

In uw boek maakt u zich nogal kwaad over de diefstal van uw vader van een deel van de erfenis.

„Omdat het geld bestemd was voor mijn oudste zoon. Dat was voor mij the limit. Mijn vader bleek na zijn dood enorme bedragen te hebben besteed aan een onecht kind van hem in Duitsland, een meisje dat hem op een ongelooflijke manier wist te chanteren. Daar kwam ik allemaal pas later achter.”

U hebt zelf twee kinderen verloren.

„Drie. Ellen en ik hebben drie kinderen verloren. Eén jongetje werd te vroeg geboren, één jongetje kreeg toen hij een maand oud was hersenvliesontsteking, en de derde overleed toen hij acht maanden was en we in Moskou woonden. Dat heb ik niet opgeschreven, het werd te veel. De statistieken wijzen uit dat de meeste huwelijken daarna op de klippen lopen, maar Ellen en ik zijn juist veel hechter geworden. We hebben drie kinderen die leven, twee jongens en een adoptiefdochter, Tessa.”

Toch kun je je afvragen hoe u zich staande hebt gehouden, na zo’n jeugd.

„Dat zegt Ellen ook altijd. Hoe heb je dat gedaan? Ik weet het niet. Kennelijk heb ik een olifantshuid. Ik ben een dromer, dat zie je ook wel in mijn boek. Vanaf mijn twaalfde was ik volkomen verslaafd aan schaken. Een schaker is een escapist. Je gaat een andere wereld in waar jij alles bepaalt.”

Het boek zou eerst De Herenkamer gaan heten, zegt Münninghoff, naar de kamer van zijn grootvader in zijn Voorburgse villa, waar na de oorlog met twee achtereenvolgende katholieke ministers van Justitie beslist wordt over het lot van Münningshoffs vader, die als mogelijke oorlogsmisdadiger in Scheveningen gevangen was gezet.

Uw grootvader krijgt het voor elkaar om de procureur Zaaijer, die bekend stond om zijn harde lijn tegen politieke delinquenten, te laten capituleren.

„Ja, ongelooflijk, hè. Zaaijer deponeerde een eis van drie jaar, en dan is hij opeens toch wel genegen om daarvan af te te zien, want mijn vader was tenslotte een Let en de Letten enzovoort. Het Bijzondere Gerechtshof zegt dan doodleuk dat mijn vader voor 1945 nooit in Nederland is geweest en daarom niet veroordeeld kan worden, terwijl mijn vader vanaf 1932 jarenlang in Nederland heeft gewoond. Hij had ook een Nederlands paspoort. Daar is de achter de schermen heel wat gemanipuleerd.”

Dat manipuleren, schrijft u ook, maakte uw grootvader zeer succesvol als zakenman.

„Dat moet je kunnen, ja. Mijn vader kon dat niet. Hij was naïef en goed van vertrouwen, en dat zou compassie moeten oproepen, maar in retrospectief is dat voor mij toch niet mogelijk. Hij was ijskoud en volstrekt egocentrisch. Aan het front ging het om kameraadschap, om eer en trouw en de moed om de tegenstander desnoods met blote handen dood te slaan. Een vriend van hem die samen met hem had gevochten zei dat de oorlog mijn vaders Sternstunde was, de beste periode van zijn leven. Daarna kon hij niet meer functioneren. Hij was geobsedeerd door de rijkdom van mijn grootvader en wilde hem daarin overtreffen. Toen dat niet lukte, probeerde hij het met illegale oliehandel. Wat ik ook niet in het boek heb vermeld, want dat werd ook te veel, is dat hij daar in 1978 nog negen maanden voor in de bak gezeten heeft. Ellen is hem gaan opzoeken, ik ben niet meegegaan. Ik kon het niet opbrengen.”

Lijkt u op hem?

„Uiterlijk? Nee. En van binnen eh… ook niet. Hoewel, dat beetje naïeve, en dat kameraadschappelijke, dat heb ik ook wel. Maar ik heb geen oorlog hoeven meemaken. Die vriend uit de oorlog vond mijn vader een gemütlicher Kerl, je kon erg met hem lachen. Dom was hij niet, maar de omstandigheden hebben hem op het verkeerde spoor gedwongen. Geen enkel ideaal heeft hij kunnen verwezenlijken. Hij heeft geen enkel diploma gehaald, behalve zijn rijbewijs.”

En uw moeder, lijkt u op haar?

„Nee, ik denk het niet. Ik ben niet zo schuchter als zij. Dat schuchtere heb ik haar kwalijk genomen. In 1969, vlak voor ons trouwen, ben ik met Ellen naar haar toegegaan. Ik had haar dus achttien jaar niet gezien of gesproken. De brieven die ik haar geschreven had, had ze niet beantwoord. Dat vond ik zo zwak van haar. Dat kán toch niet, als moeder, dat je kind bij je wordt weggehaald en dat je niets doet? Ze woonde in Würzburg en toevallig kregen we in de zomer van 1969 een uitnodiging van vorst Leonid von Manssyreff, mijn leraar bij de Militaire Inlichtingendienst – ik was kortverbandvrijwilliger geweest – om zijn huwelijk bij te wonen in het kasteel van Bad Mergentheim, vlak bij Würzburg. De hele oude Russische exil-adel in Europa zou aanwezig zijn. En toen zijn we bij haar langsgegaan. Het was zeer pijnlijk. Ze woonde in een vervallen huis in een of andere pauperwijk, samen met een monsterlijk dikke man die de kost verdiende als stofzuigerverkoper. Ze hadden een dochtertje van vier, een halfzusje dus, die ons met varkensoogjes zat aan te kijken. Ellen moest de hele tijd verschrikkelijk huilen, ik heb geen traan gelaten. Ik voelde me vooral verongelijkt. Ik heb me niet voor haar opengesteld, ook niet voor haar emotie. Ze zei dat ze doodsbang was geweest voor mijn grootvader en zich kansloos tegenover hem voelde.”

Pas toen uw vader was overleden kwam ze naar u toe.

„En toen was het alsof er al die jaren niets gebeurd was. Dat is zoiets wonderlijks. We hadden elkaar dertig jaar niet gezien, met die ene onderbreking in 1969, en opeens kon ze gewoon mijn moeder zijn. Ik hield van haar. Als meisje van acht was ze door haar moeder naar familie in Londen gestuurd omdat die zelf niet voor haar kon zorgen. Toen ze terugkwam in Riga, op haar achttiende, was ze een hartstikke leuk meisje. Heel mooi, intelligent, tweetalig, piano, ballet – en toch heeft ze daar allemaal niets mee gedaan. Dat is toch onvoorstelbaar?”

Of misschien wel heel voorstelbaar. Ze brengt u ter wereld terwijl alles om haar heen in de brand staat, ze weet niet waar haar man is…

„… en dan laat mijn grootvader haar ophalen en naar Nederland brengen, en toen merkte ze meteen dat het niet om haar ging, maar om mij, de stamhouder. Dat was wel hard, ja. En dan komt mijn vader terug uit de oorlog, op 1 juni 1945, en dan is er die scène – mijn beide ooms hebben dat verteld – dat zij hem om de hals vliegt en overlaadt met kussen, en hij wijst haar af. Hij wilde niets meer van haar weten. Hij wilde ook niets van mij weten, zijn eerste kind. Dat is me al schrijvende steeds duidelijker geworden. Mijn vader voelde niets voor mij.”

En uw grootvader?

„Ik vond een document waarin de rechter hem en mijn vader na de scheiding veroordeelde tot een betaling van vijftig gulden alimentatie, belachelijk weinig, en daar proberen ze dan onderuit te komen. Dat vond ik wel eh...”

Liefdeloos?

„Nogal, ja.”