Opinie

„Seinstoring!”

Ik moet nu echt even een flink potje kankeren – dat lucht op en het is goed voor de maagzweer. Voor familiebezoek moest ik zondag naar Eindhoven. Het werd, om het al te mild uit te drukken, een niet in álle opzichten geslaagde dag, al heeft het aan de familie – moet ik er uiteraard haastig aan toevoegen – niet gelegen. Waaraan wel? Ik begin bij het begin.

’s Morgens konden we ons in Amsterdam nog net in een te volle trein naar Eindhoven proppen. Wat is er toch met die treinen aan de hand? Of je nu, wel of niet in het weekend, ’s morgens vroeg of ’s avonds laat, naar Zwolle, Middelburg of een andere buitenplaats wilt, tijdstip en locatie maken amper verschil meer; de trein puilt per definitie uit.

Men stort zich naar binnen, er ontstaat een kort, maar hevig gevecht om de zitplaatsen, de verliezers staan even later ontgoocheld achter elkaar in het gangpad – áls daar nog plaats is. (Een paar dagen eerder, op vrijdagmiddag, had ik in Hilversum de intercity naar Amsterdam moeten laten lopen, omdat ik niet meer op de treeplank paste.) Voor wie er kennelijk ook geen plaats meer is in zulke treinen, dat is de conducteur, want die is nooit ergens te bekennen – of houdt hij zich verborgen op die wc die zo lang bezet is?

Op weg naar Utrecht kwam een jonge man naast mij zitten die zijn elleboog in mijn flank duwde, terwijl hij driftig op zijn mobieltje in de weer was – een soort digitale masturbatie. Halverwege begon hij plotseling in zijn apparaatje te loeien met een schrikbarend krachtig stemgeluid. „Kan het wat zachter?”, vroeg ik, „of ga anders even op het balkon staan.”

Mijn vrouw zond mij een afkeurende blik toe. Zij is altijd bang dat ik die dingen tegen mannen zeg die portier op de Wallen blijken te zijn, en/of een goede kennis van Holleeder of Fred R., maar zij overschat mijn moed, ik kijk altijd eerst naar iemands biceps. Deze man keurde mij geen blik waardig, maar liet zijn stem toch een octaafje zakken. Vijf minuten later vertrok hij naar achteren waar we hem nog tot Utrecht hoorden doorloeien.

Gelukkig moesten wij er in Eindhoven al uit; Maastricht was vanaf Sittard alleen nog per bus bereikbaar. Eigenlijk kun je beter niet meer in de weekends treinen, want dan „wordt er aan het spoor gewerkt”.

’s Avonds, op de terugweg, sloeg het noodlot dat NS heet (of ProRail, het verschil is alleen aan insiders bekend) bij ’s-Hertogenbosch keihard toe. „Seinstoring!” Volgens mij is dat bij onze Spoorwegen het nieuwe, bondige woord voor ‘bladeren op de rails’ of ‘bevroren wissels’. Laat op de stations „Seinstoring!” omroepen en je bent als NS (ProRail) overal vanaf.

Voor ons was het gevolg dat wij via Nijmegen moesten omreizen. Dat betekende twee uur reistijd méér becijferde ik, terwijl ik voorbij Oss mijn plas in een wc-pot mikte die verstopt was en daarom bijna tot de rand gevuld met bruin geworden urine – een warm kleurtje.

In de overvolle compartimenten wisselden de reizigers naar hartelust grimmige NS-anekdotes uit. Iemand had met veel moeite zijn oude vader in diens rolstoel de trein in geholpen, stapte terug op het perron om de koffers te pakken, maar kon niet meer terug omdat de portieren zich meedogenloos sloten. Dag pa!

Om onszelf te troosten namen we ’s avonds op Amsterdam Centraal nog een frietje bij Smullers. Doe het nooit! Het zijn bleke, futloze aardappelschijfjes die naar seinstoring smaken.