Opeens is de consensus over duurzaamheid weg

De doelstellingen van het energieakkoord worden niet gehaald. De consensus tussen coalitiepartijen VVD en PvdA is ten einde.

Het Nationale Energieakkoord voor duurzame groei beleeft een crisis. Het akkoord had de pretentie om de hele samenleving ‘mee te nemen’ naar een duurzame toekomst. Maar die samenleving raakt het spoor steeds meer bijster.

De afgelopen dagen gingen in de media al dan niet gelekte berekeningen van verschillenden planbureaus rond. Volgens het ene, het Centraal Planbureau (CPB), is de aanleg van windmolenparken op zee weggegooid geld, volgens het andere een noodzaak voor verduurzaming. Minister Kamp van Economische Zaken (VVD) zegt dat het allemaal wel goed komt. Maar de coalitiepartijen VVD en PvdA verschillen steeds openlijker van mening.

Felle reacties

In ieder geval worden de doelen van 14 procent duurzame energie en een aanzienlijke energiebesparing in 2020, niet gehaald, staat in de Nationale Energie Verkenning die vandaag is gepubliceerd. Die is opgesteld door het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), zij moeten jaarlijks rapporteren over de voortgang van het energieakkoord. Op basis van alle gegevens die ze verzamelen voorspellen zij dat we blij moeten zijn als we in 2020 12,4 procent duurzame energie verbruiken.

De geplande energiebesparing van 100 petajoule (PJ) in 2020 staat er veel slechter voor. Een petajoule is een energie-eenheid die overeenkomt met wat 15.000 huishoudens jaarlijks aan elektriciteit en gas verbruiken. De besparing zou op maximaal slechts 61 PJ uitkomen. Het is waarschijnlijker dat het aandeel duurzame energie in 2020 dichter bij 10 procent zal liggen en de energiebesparing rond de 20 petajoule.

Deze berekeningen liggen al dagen op straat en hebben tot felle politieke reacties geleid. De PvdA eist meteen aanvullende maatregelen. Coalitiepartner VVD staat op de rem en vindt 2016 – zoals voorzien in het akkoord – vroeg genoeg om te kijken of er moet worden ingegrepen.

Enorme marges

Een jaar geleden leek binnen de coalitie nog volledige consensus te bestaan over het energieakkoord, dat is ondertekend door meer dan veertig partijen – van werkgevers tot werknemers en milieuorganisaties. Na maanden onderhandelen onder leiding van de SER (Sociaal Economische Raad) maakten ze meer dan 150 afspraken om de duurzaamheidsdoelen te halen.

Opvallend genoeg rekenden de ECN en het PBL ook toen al voor dat dat heel moeilijk zou worden. Vooral voor de energiebesparing. De onderzoeksbureaus gaven een jaar geleden deels dezelfde cijfers als nu. De verwachte resultaten zouden uiteenlopen van 22 tot 60 PJ energiebesparing in 2020. Nu worden aantallen genoemd van 19 tot 61 PJ.

De enorme marge is te verklaren uit het feit dat voor het rapport twee benaderingen worden gebruikt: een op basis van concrete afspraken. En een op basis van voorgenomen beleid. In beide gevallen gaat vooral om aannames en voorspellingen.

Voor wat het aandeel duurzame energie betreft waren de berekeningen een jaar geleden iets positiever. Toen achtten de onderzoekers 14 procent in 2020 krap haalbaar. Nu dus niet meer. Al komt 12,4 procent wel een eind in de richting, zeker als je bedenkt dat er nu slechts 4,5 procent van de energie die Nederland gebruikt duurzaam wordt opgewekt.

Meer onduidelijkheid

Maar het grootste verschil met vorig jaar is dat er een einde is gekomen aan de consensus binnen de coalitiepartijen. PvdA-fractievoorzitter Diederik Samsom noemt de cijfers voor energiebesparing nu ronduit „onacceptabel”. De drie VVD-ministers die moeten zorgen voor de uitvoering van het energieakkoord, Kamp (Economische zaken) Schulz (Milieu) en Blok (Woningbouw), kunnen in de Tweede Kamer het nodige rumoer verwachten.

Verduurzaming is Europees beleid. In 2020 moeten de lidstaten met elkaar 20 procent duurzame energie gebruiken, 20 procent minder CO2 uitstoten en 20 procent energie besparen. De eisen die worden gesteld zijn voor de lidstaten verschillend. Nederland moet 14 procent duurzame energie opbrengen, terwijl dat aandeel voor Denemarken bijvoorbeeld 30 procent is.

Daar hebben de Denen eigener beweging een schepje bovenop gedaan en zichzelf verplicht tot 35 procent. Niet door een polderakkoord met de hele samenleving zoals in Nederland, maar door een politiek besluit waar nagenoeg het hele parlement achterstaat.

De Denen zijn de politieke fase ver voorbij en bedienen hun land inmiddels op grote schaal met windenergie. In Nederland begint de politieke fase pas, wat voorlopig alleen maar tot meer onduidelijkheid leidt.