Encyclopedische scheppingsdrift

Zijn mond bestaat uit een paar dikke strepen blauw en roze, zijn neus is woedend geel, zijn ogen lijken op gitzwarte brokjes steenkool. Daaromheen is het een onherkenbaar gewemel, alsof de haren, de baard en het lijf van de eminente Franse filosoof en literatuurwetenschapper Gaston Bachelard door een oerkracht zijn meegevoerd. Zo zag de Deense kunstenaar Asger Jorn (1914-1973) zijn goede vriend Bachelard in 1960. En hij zag het, zo blijkt op de tentoonstelling Traces in het Amstelveense Cobra Museum, heel scherp. Want Bachelard: was dat niet die filosoof die dacht dat iedere poëtische daad door ten minste één van de vier oerelementen wordt beheerst?

De charismatische, kettingrokende, huwelijken verslijtende, revolutionaire kunstenaar Jorn is dit jaar een eeuw geleden geboren op Jutland. En dat feit wordt herdacht. Groots in Denemarken, waar het Statens Museum in Kopenhagen en het Jorn Museum in Silkeborg grote overzichten hebben gepresenteerd. En een beetje schamel in het Cobra Museum in Amstelveen.

Het verhaal is bekend: vanaf Jutland vloog Jorn uit. In 1936 reed hij op zijn motor naar Parijs, om bij Léger in de leer te gaan. In de oorlog keerde hij noodgedwongen terug naar Denemarken, waar hij zich verdiepte in Scandinavische volkskunst. Zijn tekeningen en schilderijen stroomden vol met faunen, trollen en bergdwergen. Na de oorlog werd Jorn een van de oprichters van de experimentele en op spontane gevoelsuitingen gerichte CoBrA-beweging. En toen CoBrA ter ziele ging in 1951, volgde in 1957 de Situationistische Internationale, een conglomeraat van activistische kunstenaars en wetenschappers. Kunst mocht geen handelswaar zijn maar moest, zoals Jorn benadrukte, ‘transformaties’ bewerkstelligen. Jorn zelf vormde het bewijs van deze veranderprocessen.

In zijn relatief korte leven onderzocht en experimenteerde Jorn met zo’n beetje alles waarin een kunstenaar zich kan uitdrukken: van brute figuratie tot abstracte kunst, van priegelige etstekeningen tot nog zachte keramische sculpturen (waar met een scooter overheen werd gereden), van activistische manifesten, grapjes in woord en beeld, tot en met studies over esthetiek, Vikingbeelden en kerkarchitectuur. En nog zei Jorn vlak voor zijn dood in 1973: „In de grond van de zaak weet ik bijvoorbeeld helemaal niets – niets wat ik verklaren kan althans.”

Het Cobra Museum eert de maker in drie gelijktijdig geopende tentoonstellingen. Dat lijkt heel wat – met drie tentoonstellingen moet je toch ver komen – maar wat het Cobra toont, hangt als los zand aan elkaar. De schenking met werken op papier van Otto van de Loo (The Secret of Art) is zo ver mogelijk weg van de andere twee tentoonstellingen gepresenteerd. De tentoonstelling A Way of Making van de Brits-Nederlandse kunstenaar Maria Pask en Frederique Bergholtz is bedoeld als actuele ‘doorwerking’ van Jorns gedachtegoed, maar heeft als beeldschone installatie waar ieder scheef stofje opvalt, weinig met Jorn van doen. En de hoofdtentoonstelling Traces pretendeert een overzicht van de encyclopedische scheppingsdrift van Jorn te geven aan de hand van een te klein aantal, en helaas niet altijd de beste werken. Een catalogus ontbreekt.

Dit is des te wranger, omdat het Cobra wel een Jorn-kenner van formaat in huis heeft. Conservator Hilde de Bruijn bereidt een proefschrift voor en houdt sinds 2012 een toegankelijke, zeer inhoudelijke, de nieuwsgierigheid prikkelende en grappige blog bij over Jorn (zie www.hildegoesasger.org). Van zo’n blog had Asger Jorn gehouden.