Die sociale media zorgen voor een hoop onrust

Autoriteiten worstelen met de sociale media. Wat je kan leren van het optreden bij een aantal spraakmakende crises, staat in een boek dat vandaag verschijnt.

Oktober 2013, Ede. Er ligt mosterdgas in het appartement en de kelderbox van een overleden scheikundeleraar, zo vertelt zijn broer aan de brandweer. Hulpdiensten treffen het mosterdgas aan in goed afgesloten potten. De burgemeester besluit tot snelle verwijdering, het is avond inmiddels. Hulpdiensten evacueren het appartementencomplex. De bewoners, ruim honderd in getal en veelal oud, horen dat zij waarschijnlijk rond middernacht kunnen terugkeren naar hun woning. Die boodschap blijkt te optimistisch: pas om half vijf ’s nachts zijn de stoffen verwijderd. De bewoners moeten de nacht elders doorbrengen.

Vanwaar de haast van de hulpdiensten? Die potten waren toch goed afgesloten? Waarom begonnen ze in de avond met hun actie, en niet de volgende ochtend, zodat ze meer marge zouden hebben vóór evacuatie nodig zou zijn?

Antwoord: de autoriteiten vreesden voor onrust en verontwaardiging onder de bevolking. Mosterdgas in een wooncomplex! En de hulpdiensten wachten een hele nacht voor ze aan het werk gaan! Sociale media zouden het nieuws vliegensvlug verspreiden, heel Nederland zou er wat van vinden. En dus kozen de autoriteiten voor een snelle operatie en weinig voorbereidingstijd. Met een plots nachtje weg voor honderd Nederlanders als gevolg.

Menno van Duin, lector crisisbeheersing aan de Politieacademie en het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV), en zijn collega-onderzoeker Vina Wijkhuijs schrijven over de ontruimingsactie in het boek Lessen uit crises en mini-crises 2013, dat vandaag verschijnt. Daarnaast beschrijven ze nog zeventien optredens van overheid en hulpdiensten bij crises, en belichten daarbij ook de rol van sociale media. Die hebben grote invloed op crisismanagement, zo blijkt keer op keer uit het boek. Autoriteiten worstelen met de sociale media.

Zijn overheid en hulpdiensten daar dan nog niet van doordrongen? Jawel, zegt Van Duin. „Maar wéten dat sociale media belangrijk zijn, is iets anders dan er adequaat mee omspringen.”

Heksenjacht

Dat bleek ook in Eindhoven. Een aantal jongens uit een groep van acht schopte een student vorig jaar op een avond tegen het hoofd. De politie liet de beelden van bewakingscamera’s zien via Omroep Brabant. Sociale media namen het filmpje over. De onderbuik van Nederland deed de rest: foto’s van alle acht jongens verschenen online, hun namen, telefoonnummers en adressen ook. Allen werden bedreigd. Een negende jongen ook, met toevallig dezelfde voor- en achternaam als een van de acht.

De rechter veroordeelde drie van de acht tot ruim een half jaar jeugddetentie. Maar hij paste een strafvermindering van enkele maanden toe wegens de online heksenjacht. Een tik op de vingers voor het Openbaar Ministerie (OM). In deze casus had justitie de kracht van sociale media juist weer onderschat. Van Duin: „Justitie had kunnen volstaan met het tonen van stills van de bewakingsbeelden.” Ook effectief. En zulke stilstaande beelden hadden voor minder opwinding gezorgd.

Ruben en Julian

Bij de vermissing van de broertjes Ruben en Julian, in mei 2013, zorgden sociale media voor een razendsnelle mobilisatie van hulptroepen. Honderden burgers gingen meezoeken in bossen. De politie had haar bedenkingen, schrijven Van Duin en Wijkhuijs. „Een dergelijke massale ‘sporenvernietigingsoperatie’ werd niet echt op prijs gesteld.”

Tegenhouden van de goedbedoelende hulptroepen was echter geen optie – ze waren te talrijk. De politie besloot de burgerzoektochten te laten begeleiden door politievrijwilligers, en dat ging met ‘vallen en opstaan’.

Politievrijwilligers werden op pad gestuurd „met grote groepen mensen” maar „zonder stafkaarten” en in gebieden „waarvan later bleek dat die eerder al door de Mobiele Eenheid en mariniers waren doorzocht”. Later verliep de samenwerking tussen politie en burgers overigens beter – meer overleg, meer afstemming.

Sociale media deden zich ook gelden in Deventer, augustus vorig jaar. Twee pedofielen – onder wie Marthijn Uittenbogaard, bekend van pedofielenvereniging Martijn – waren voor een paar dagen in de stad. Naar eigen zeggen om een ‘verslaafde vriend’ te helpen.

Maar al snel ging het gerucht dat de twee zich in Deventer wilden vestigen. Sociale media verspreidden en versterkten het gerucht. Er kwam er een bij: ze zouden zich in de flat Parkzicht bevinden.

Opnieuw onwaar. De twee waren de stad inmiddels uitgevlucht. Maar de geruchten hield aan en sociale media trommelden de demonstranten op. En zo schoolde een woedende menigte samen voor een flat waarin de twee hoofdpersonen zich niet bevonden. Agenten zeiden dat herhaaldelijk tegen de demonstranten, maar ze werden niet geloofd.

Toen betogers vervolgens ook nog ruzie met flatbewoners gingen maken, greep de politie in en keerde de rust terug. Volgens Van Duin waren veel van de demonstraten „rabiate activisten tegen pedofilie”. „Die mensen zijn nauwelijks te overtuigen, zo sterk geloven ze in de rechtvaardigheid van hun acties.”

Volgens Van Duin moeten overheid en hulpdiensten blijven nadenken hoe met sociale media om te gaan, want „de invloed wordt alleen maar groter”. Maar, benadrukt hij: de overheid kan niet álles oplossen. Zie de „zotte situatie” in Deventer, zegt Van Duin. „Er was niks aan de hand, maar er was wel een probleem. Dat is een beangstigend aspect van de sociale media.”