Medicijnen horen niet op een vrije markt

Farmaceutische industrie drijft prijzen op met bureaucratie en vermarkt de wanhoop van zieken, aldus de bestuursvoorzitter van het Academisch Medisch Centrum Marcel Levi.

Waarom zijn dure geneesmiddelen zo duur? De discussie over de (kwalitatieve) gezondheidswinst door het gebruik van zeer dure geneesmiddelen en hoeveel we daar met elkaar voor over hebben, is weer in volle hevigheid opgelaaid. Het debat lijkt zich vooral toe te spitsen op een door sommigen gewenste financiële limiet die begrenst wat een gewonnen levensjaar mag kosten. Terecht wijzen patiënten, hun familie en artsen op de onuitvoerbaarheid en onrechtvaardigheid van een dergelijk systeem, dat inderdaad de solidariteit van gezonde mensen met zieke mensen, één van de pijlers van de gezondheidszorg in een beschaafd land, doorkruist.

Het is opvallend dat bijna niemand zich afvraagt waarom dure geneesmiddelen eigenlijk zo duur zijn. Dat is namelijk vrijwel nooit omdat het zo duur is ze te produceren, dat valt meestal wel mee. Wat volgens de fabrikanten de medicamenten zo kostbaar maakt zijn de ontwikkelingskosten, die terugverdiend moeten worden, en de kosten voor marketing van geneesmiddelen. Daar valt het nodige op af te dingen.

Eerst maar die ontwikkelkosten. Dikwijls wordt (overigens zonder veel onderbouwing) door producenten geroepen dat voor één werkzaam geneesmiddel er wel twintig geneesmiddelen uitgebreid getest moesten worden. Misschien is het wel zo, maar kan het niet efficiënter? Uit eigen waarneming zie ik vaak dat geneesmiddelen waarvan allang duidelijk is dat ze niet succesvol zullen zijn toch eindeloos onderzocht worden. En misschien moeten we eens kritisch kijken of met de moderne stand van de wetenschap de identificatie van potentieel effectieve medicamenten niet veel preciezer kan gebeuren. Eveneens verbaast iedereen die betrokken is bij geneesmiddelenontwikkeling zich vaak over de eindeloze, en dus kostbare, bureaucratie bij grote farmaceutische bedrijven met talloze functionarissen zonder duidelijke rol, commissies die gepasseerd moeten worden en vaak onnavolgbare procedures. Tel daar de complexe procedure om een geneesmiddel geregistreerd te krijgen bij op en het is duidelijk dat er aan efficiëntie veel te winnen is.

Vervolgens de marketing. Voor medicamenten die echt effectief zijn en een grote verbetering voor de patiënt betekenen is marketing helemaal niet nodig. Er wordt dan ook nooit geadverteerd voor antibiotica bij een longontsteking, of voor aspirine als bloedverdunnend medicijn bij een hartinfarct. Dokters weten ook zonder reclame razendsnel als er een effectief nieuw medicament voor een ziekte beschikbaar komt. Bijna alle marketing richt zich op geneesmiddelen die een kopie zijn van wat er al is of op geneesmiddelen die nauwelijks iets toevoegen voor de patiënt. Misschien is het dan ook eens tijd te stoppen met deze zinloze activiteiten.

Maar zelfs als we de productiekosten, ontwikkelingskosten en marketingkosten voor lief nemen, is de prijs van een duur geneesmiddel nog niet verklaard. Deze prijs wordt namelijk vooral beïnvloed door wat de producent ervoor denkt te kunnen vragen. Dat betekent dat je bij een medicament voor een nare ziekte, waar eigenlijk nog geen goede behandeling voor is, exorbitante bedragen kunt verlangen. Er zijn talloze voorbeelden, zoals een nieuw medicijn voor melanoompatiënten, enzymtherapie voor kinderen met stofwisselingsziektes, antistoffen die vormen van leukemie kunnen genezen of middelen tegen zeldzame nierziekten die een transplantatie kunnen voorkomen. Daarvoor worden extreme prijzen gevraagd die geen enkele relatie hebben met de werkelijke kosten. In feite is daarbij sprake van een vorm van chantage van wanhopige patiënten en hun artsen, waarbij onnodige woekerprijzen worden berekend die met de rug tegen de muur dan uiteindelijk maar worden betaald. Op een vrije markt is het vragen van een prijs die de koper er voor wil betalen misschien gerechtvaardigd, maar de geneesmiddelenmarkt is natuurlijk helemaal niet vrij.

Inmiddels drijft de steeds grotere groep van (extreem) dure geneesmiddelen artsen tot wanhoop. De overheid heeft behendig het budget voor deze medicamenten over de muur gegooid naar het ziekenhuisbudget en de zorgverzekeraars houden de geldkraan gesloten, ondanks de groeiende vraag van patiënten. Ziekenhuizen met veel patiënten die afhankelijk zijn van dure geneesmiddelen, zijn al jaren bezig een steeds groter deel van hun budget hieraan te besteden, ten koste van noodzakelijk personeel en andere zaken die nodig zijn voor optimale zorg. Door geneesmiddelenbrancheorganisatie Nefarma werd in een reactie op een eerder artikel over dit onderwerp in het tijdschrift Medisch Contact opgemerkt dat de geneesmiddelenkosten de laatste jaren zijn gedaald, maar daarbij wordt even over het hoofd gezien dat dit alleen geldt voor de goedkope geneesmiddelen (en dan met name door het inkoopbeleid van de verzekeraars) terwijl de kosten voor dure geneesmiddelen juist zijn geëxplodeerd.

Wat is een oplossing voor dit probleem? Als we de (dure) geneesmiddelenhandel gewoonweg niet meer als een vrije markt beschouwen maar als een algemene voorziening waar zieke (en dus afhankelijke) medeburgers recht op hebben, is er een rol voor de overheid die de prijs reguleert. Ook kan deze overheid door onderhandelingen op nationaal niveau (of liever nog gezamenlijk met andere Europese landen) bij geneesmiddelproducenten betere prijzen bedingen. In ons omringende landen waar dit gebeurt, is interessant genoeg de prijs van dure geneesmiddelen aanzienlijk lager dan in Nederland. Ten slotte kan een actief beleid om de ontwikkeling van zogenaamde ‘biosimilars’ (geneesmiddelen die lijken op de dure medicamenten en hetzelfde effect hebben) te stimuleren én politieke druk op de Europese geneesmiddelenautoriteit EMEA om die snel door het registratieproces te loodsen, helpen om onredelijk hoge geneesmiddelprijzen snel te laten dalen.