De Uitspraak: Wanneer moet een arts het Meldpunt Kindermishandeling bellen?

Wanneer moet een huisarts het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling bellen? En dus het contact met de ouder(s) van het kind belasten? Met commentaar van NJB expert Yvonne Drewes, arts en adviseur gezondheidsrecht van de KNMG.

De Zaak. De oom van een 15-jarige jongen klaagt bij het Medisch Tuchtcollege over een huisarts. Hij meent dat de huisarts in het zeer problematische gezin van zijn zuster nooit ingreep en nooit het belang van het kind voorop stelde. Zij zou de zorg voor het kind volledig hebben onderschat.

Wat was daar aan de hand? De moeder leed aan de spierziekte ALS en overleed. De vader raakte daardoor overbelast en ernstig getraumatiseerd. Hij wilde na haar dood niet verder leven. De 15-jarige zoon ‘kende geen begrenzing’. In het gezin was sprake van veel huiselijk geweld. De vader had ‘megagrote psychiatrische problematiek’ en zocht zijn toevlucht in drank. Er was bij hem sprake van ‘enorme agressieve impulsdoorbraken’. Ten tijde van de klacht is ook hij overleden, door ‘acute hartdood’.
Welke rol speelden andere hulpverleners? De vader gedroeg zich als een ‘absolute zorgmijder’. Hij wilde noch met het bureau voor alcohol en drugs noch met de GGZ praten. Behalve voor zijn vrouw wilde hij van niemand hulp. Er was enige tijd een 24 uurs zorgteam in het gezin actief, maar het lukte hen niet de noodzakelijke zorg te verlenen. De vader wilde ook niet praten over hulp bij de opvoeding of (gedeeltelijke) uithuisplaatsing.
Hoe verdedigt de huisarts zich?
Zij zegt dat ze de enige hulpverlener was met wie het gezin nog een vertrouwensrelatie had, zij het een dunne. De huisarts verklaart „vele professionele hulpverleners huilend (te hebben) zien vertrekken. Niemand wilde daar werken.” Zij zegt met het gezin vele intensieve gesprekken te hebben gevoerd over alle grensoverschrijdingen die er voorkwamen. Zij meende dat er drie daders en drie slachtoffers waren. Aan verwijzen heeft ze wel gedacht, maar ‘welk effect zou dat sorteren’? Voor een gedwongen opname van de vader meende ze geen toereikende argumenten te hebben. Van gevaar voor de zoon, anders dan affectieve verwaarlozing, leek haar geen sprake. De zoon leek bij zijn vader ‘op kamers’ te wonen. Hij deed zijn eigen boodschappen en beschikte over de pinpas van zijn vader. Als huisarts was zij in het gezin overvraagd, haar rol was eigenlijk ‘onmogelijk’. Na de dood van de vader vroeg zij de zoon of ze het anders had moeten aanpakken. Hij kon niet bedenken wat ze anders had moeten doen.
Hoe oordeelt de tuchtrechter? Die meent dat de huisarts jegens de vader correct handelde, althans bleef binnen de grenzen van een ‘redelijk bekwame beroepsuitoefening’. Maar jegens de zoon schoot ze tekort. Zij probeerde te lang de problemen zelf op te lossen. De vertrouwensband, waarvoor ze ook een compliment krijgt, vindt het college uiteindelijk ondergeschikt aan het inschakelen van het Meldpunt Kindermishandeling. De huisarts had eerder en voortvarender moeten proberen de situatie van de zoon te beëindigen. Na de dood van zijn moeder zat de jongen jarenlang knel in een „gewelddadige, pedagogisch onverantwoorde en (affectief) verwaarloosde gezinssituatie, met alle schade voor hem van dien”. De huisarts krijgt een waarschuwing.

De uitspraak van het Regionaal Medisch Tuchtcollege (ECLI:NL:TGZREIN:2014:76) is hier te vinden.

Reageren? Volledige naamsvermelding verplicht.