De Lente was uiteindelijk een ramp voor de Arabieren

Was de Arabische Lente een revolutie of een zinsbegoocheling? Over die vragen zijn de experts het niet eens. Ging het mis door de autoritaire Arabische bestuurscultuur of door buitenlandse bemoeienis?

Begin 2011 was het enthousiasme over de massale demonstraties in de Arabische wereld groot. Voor het eerst durfde de bevolking op grote schaal tegen autoritaire en gevreesde regimes op te staan en hervormingen te eisen, of zelfs het vertrek van de leiders. Maar krap vier jaar later is er nog maar weinig reden tot optimisme: de opstanden hebben niet of nauwelijks tot duurzame verbeteringen geleid.

In rijke Golfstaten als Saoedi-Arabië, Koeweit en Bahrein zijn de protesten snel en effectief de kop ingedrukt. In Egypte is het leger waaruit Mubarak was voortgekomen opnieuw – of nog steeds – aan de macht. Libië is na de val van dictator Gaddafi door aanhoudende NAVO-bombardementen vervallen in een totale anarchie, die ook buurlanden als Mali heeft gedestabiliseerd. In Syrië is een burgeroorlog uitgebroken die inmiddels tot zo’n 200.000 doden heeft geleid, en – met name in de gedaante van IS – naar Irak is doorgesijpeld; ook de stabiliteit van buurlanden als Libanon en Jordanië wordt nu ernstig bedreigd.

Was de Arabische Lente dan een revolutie of een zinsbegoocheling? De vraag stellen is hem beantwoorden – zo geformuleerd. Carolien Roelants, voormalig redacteur Midden-Oosten van deze krant, betoont zich in haar even bondige als brede overzicht Revolutie of zinsbegoocheling? sceptisch over het recente verleden, en pessimistisch over de toekomst. Volgens haar hebben de opstanden alleen in Tunesië tot duurzame democratische veranderingen geleid. In Egypte is bar weinig veranderd. De val van Mubarak in februari 2011 was eerder een coup binnen de legertop dan een revolutie. De heerschappij van de Moslimbroeders was kortstondig en mislukte. Nu is de repressie door de militaire dictatuur er sterker dan ooit.

Vergelijk het met Oost-Europa

Eigenlijk heeft volgens Roelants in geen van de Arabische landen een waarachtige en radicale omwenteling plaatsgevonden van een heel bestel, zoals de Iraanse revolutie van 1979. Maar je kunt de Arabische opstanden beter vergelijken met de protesten van 1989 in Oost-Europa. Waarom hebben die laatste wel tot duurzame en vreedzame veranderingen geleid, en de Arabische opstanden vooralsnog niet?

Roelants wil dit falen vooral verklaren uit duurzame kenmerken van de Arabische staten zelf, en niet uit de invloed van buurlanden als Saoedi-Arabië, Iran, Turkije en Israël, of van grote mogendheden als Amerika en Rusland. Ze zoekt de oorzaken iets te sterk en te eenzijdig in een onveranderlijk autoritaire Arabische bestuurscultuur, die van nature niet in staat zou zijn om protest te tolereren of te hervormen. Je hoort haar veel minder over bijvoorbeeld de dramatische en tegenstrijdige gevolgen van de Amerikaans geleide Irakoorlogen, of over de Amerikaanse steun voor Saoedi-Arabië.

Het is inderdaad verleidelijk om pessimistisch, of zelfs cynisch, te zijn over de opstanden. Maar ze hebben wel degelijk positief effect gehad. In Marokko leidden de protesten tot snelle constitutionele veranderingen; die waren weliswaar beperkt, maar toch. En wereldwijd inspireerden de Arabische opstanden de Occupy-beweging, die burgers tot in Moskou en Hongkong de hoop gaf dat ze hervormingen konden afdwingen.

En hoe eindigde de Lente? Met IS

Het meest dramatische indirecte gevolg van de Arabische Lente is de snelle en extreem gewelddadige opmars van de Islamitische Staat (IS) in Irak en Syrië. Weinig journalisten zijn beter in staat deze ontwikkeling te duiden dan Patrick Cockburn, een van de meest ervaren Irak-correspondenten – nu voor The Independent.

Volgens Cockburn kun je de opkomst van IS, evenals eerder die van Al-Qaeda, niet begrijpen zonder naar Saoedi-Arabië te kijken, schrijft hij in The Jihadis Return. Hij beschouwt de IS-ideologie als in wezen identiek aan de wahabitische islam, de Saoedi-Arabische staatsreligie, maar daarmee miskent hij dat het geweld van IS tegen shi’ieten, christenen, en yezidi’s zelfs naar wahabitische maatstaven ongekend is.

Ook is het bereik van IS beperkter dan de oververhitte berichten in de media suggereren. Al beweert IS wereldwijd de ware islam te willen invoeren, toch hebben ze alleen de macht gegrepen in overheersend sunnitisch-Arabische gebieden waar al een machtsvacuüm bestond.

Cockburn concludeert dat Irak in feite uiteengevallen is in een Koerdisch, een sunnitisch en een shi’ietisch deel. Volgens hem is deze breuk waarschijnlijk niet meer te lijmen, en zal de strijd tegen IS jarenlang gaan duren. In Syrië kan IS volgens hem alleen effectief bestreden worden wanneer Assads regime en de andere oppositiegroeperingen vrede sluiten. Maar ook dat is geen ontwikkeling voor de korte termijn. De Arabische Lente, dat maakt Cockburns bewonderenswaardige analyse duidelijk, is uitgelopen op een ramp voor de Arabieren, met name door ondoordachte en destructieve buitenlandse bemoeienis.