11:59,45. Een muisklik. De software vraagt of hij het zeker weet. Ja.

Wat gebeurt er achter de schermen als het luchtalarm klinkt? Peter Zantingh ging vorige maand kijken bij de Veiligheidsregio Utrecht. Wat veel mensen het luchtalarm noemen, heet daar op kantoor het ‘WAS’.

Ik ben nog maar net binnen als ik half grappend zeg straks een grote rode knop te verwachten. „Dan ga ik je alvast teleurstellen”, zegt Peter Foreman, teamleider van de meldkamer brandweer. Foreman is een grote man met een vriendelijke uitstraling. Type brandweerman, maar dan in kantoorkleding. Het is 11.00 uur. Over een uur moet hij de sirenes testen – gewoon, met een muisklik.

Eerst leer ik de termen. Het woord ‘luchtalarm’ is uit den boze, dat doet maar denken aan de oorlog. Ze spreken hier van het ‘WAS’: het waarschuwings- en alarmeringsstelsel.

Er zijn drie verschillende testen: een stil alarm, dat naar één specifieke paal gestuurd kan worden om wat ledlampjes te laten knipperen voor een aanwezige monteur.

Een technisch alarm, dat alleen een enkele, harde TOET laat horen („Je schrikt je rot als je eronder staat”).

En een luid alarm.

Het gaat mij dus om het laatste, dat we allemaal op eerste maandag van de maand om 12.00 uur horen.

12.00 uur exact, dat lukt niet

De 25 veiligheidsregio’s die Nederland telt krijgen elk jaar een lijstje van het ministerie van Justitie met de data waarop het alarm moet worden getest. Als een eerste maandag van de maand gelijk valt met een feestdag of bijzondere herdenkingsdag, wordt de test overgeslagen (zoals dit jaar op maandag 5 mei).

In de wet staat dat het alarm precies om 12.00 uur moet beginnen, maar dat kunnen Foreman en zijn collega’s in de andere regio’s nooit zo uitkienen: het duurt even voordat het signaal via verschillende zenders de palen bereikt. Vandaar dat het voor ons, burgers, vaak klinkt alsof de palen als een roedel wolven een paar keer achter elkaar beginnen te huilen: de zenders sturen één voor één hun eigen groep palen aan.

„Dat zul je straks wel zien”, zegt hij.

Op zo’n maandag als deze wordt er alles aan gedaan om het niet te vergeten. Het staat in alle agenda’s die er in het gebouw te vinden zijn. Foreman of een van z’n collega’s is minimaal een uur van tevoren aanwezig en wordt ervoor vrijgemaakt – anders zul je net zien dat er vlak voor het middaguur een noodtelefoontje binnenkomt dat alle aandacht opeist. De software waarmee de sirenes geactiveerd worden, staat op twee computers binnen het gebouw: één op de afdeling waar ook de 112-telefoontjes binnenkomen en van waaruit hulpdiensten kunnen worden uitgestuurd, en één als reserve in de kelder.

De maandagtests zijn niet voor niets

Toch gaat het weleens mis. In juli 2013 bleven 35 van de 288 palen in de regio Utrecht stil. Een monteur verhielp het probleem een dag later. Vier maanden daarvoor, in maart, koos de verantwoordelijke medewerker per ongeluk de stille test. Toen ze erachter kwamen, om twaalf over twaalf, werd alsnog het luide alarm aangezet.

Als hij op vakantie is op de eerste maandag van de maand, belt Foreman na twaalven even naar het werk. Of alles goed is gegaan. Hij doet zo’n belletje voor me na: „Jongens, hoe is het gegaan? Geen klachten binnengekregen? Prima, dan weet ik genoeg.”

Hij duikt graag, en toen hij daar laatst voor in Vinkeveen was, moest hij „heel goed luisteren” om de sirene te horen. Toen is hij gaan kijken waar de paal stond: in het dorp, een paar kilometer verderop. Voor de plaatsing van de palen zijn de gemeenten verantwoordelijk, maar dit „geeft hij dan wel even door”.

Het muispijltje gaat vast naar ‘Start’

Het is kwart voor twaalf. We lopen naar het bureau van waarachter de test wordt geactiveerd. Er staan zeven beeldschermen op twee rijen. Foreman zet de test alvast klaar op een van die schermen. Hij opent een simpel Windows-programmaatje, kiest in een dropdownmenu alle palen in de regio, kiest het luide alarm uit de drie opties en zet daarna het pijltje van de muis alvast bij ‘Start’.

Als hij tussendoor nog wat aan me uitlegt en we staan te kijken bij een groot scherm met daarop een plattegrond van alle palen, blijkt hoezeer het in het systeem van iedereen hier zit: „Let je op?”, vraagt een collega hem, draaiend op zijn bureaustoel, wijzend op de klok.

Nog één minuut.

11:59,45. Een muisklik. De software vraagt of hij het zeker weet. Ja. Dan lopen we naar een kastje met zenders, waarop één voor één lampjes gaan branden ten teken dat het signaal is binnengekomen, en dat ze elk hun eigen groep palen hebben aangestuurd.

We horen niets, maar dat komt omdat we binnen zitten, achter kogelvrij glas.

Foreman wijst naar buiten, waar een collega al – met een sigaretje – op het dak staat. We gaan erbij staan, en we luisteren.

Alles gaat goed.

„De 112-meldingen die je binnenkrijgt, de mensen die in een brandend huis vastzitten, dat is veel belangrijker dan een sirenetest”, zegt Foreman als we weer binnen zijn. Dit ritueel is als een tandartsbezoek: als het achter de rug is, ben je blij dat je er voorlopig weer even vanaf bent.

    • Peter Zantingh