Welke publieke zaak?

Vlak voor de zomer haalde ik mijn spaargeld weg bij ABN Amro. Minister Dijsselbloem had aangekondigd de beruchte bonussen voortaan tot maximaal twintig procent van het inkomen te beperken en dus verhoogde de met belastinggeld overeind gehouden bank de salarissen van de top schielijk met twintig procent. De minister haalde vervolgens hoofdschuddend zijn schouders op. Hij had toezicht, zijn ministerie had kunnen ingrijpen, maar hij deed niets – net als toen een andere PvdA-minister, Wouter Bos, na de bankencrisis ook al de bonussencultuur ‘aanpakte’ en oogluikend toestond dat de salarissen terstond werden verdubbeld.

Het duurde even, maar deze week ging de PvdA alsnog vol op het orgel. Slechts 1 miljoen boete voor wie de Dijsselbloem-norm overschrijdt? „Bankiers lachen daar om”, zegt Henk Nijboer, de financieel woordvoerder van de partij. Hij eist een maximumboete van 4 miljoen, die bij meerdere overtredingen gestapeld kunnen worden. Ook loonsverhogingen als compensatie moeten verboden worden. „Het kabinet moet dat desnoods met wetgeving dichttimmeren.” En zo lang een bank nog voor meer dan 50 procent in handen van de overheid is: helemaal geen bonussen.

Toe maar.

Ik wil niet vervelend doen, maar om die loonsverhoging bij ABN Amro voor de zomer tegen te gaan hoefde helemaal niets met wetgeving te worden dichtgetimmerd. Dijsselbloem had het gewoon kunnen afdwingen – heeft Nijboer zijn eigen minister daar op aangesproken? En de meeste loonsverhogingen zijn allang ingegaan, dus ik vrees dat bankiers harder lachen om Nijboer dan om de boetes die hen te wachten staan. „Het lijkt stoerheid die niet kan worden waargemaakt”, aldus CDA-Kamerlid Van Hijum.

De kern van het probleem, lijkt me. Besef van een publieke zaak dwing je niet af met almaar meer regels en wetten, en steeds schrillere retoriek – de bankiers zullen alleen maar bevestigd worden in hun toch al rotsvaste overtuiging dat ze omringd zijn door een van rancune verteerde samenleving, opgejut door populistisch sentiment.

Daarbij wordt de kloof tussen woord en daad nu wel erg groot. Iedere elite heeft de neiging het onderling te gezellig te maken, daar hadden de Grieken al last van, maar wat je nu steeds meer ziet is dat de maatschappelijke instituties die geacht worden toezicht te houden in naam van de publieke zaak te zeer verstrengeld raken met degenen die ze moeten controleren. Het recente schandaal van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is typisch – een verkeerd soort innigheid, men komt elkaar te vaak tegen, men kent elkaar te goed, men is gewend het onderling te regelen, de buitenwereld snapt er toch niks van. En ieder schandaaltje in de media waait vanzelf over.

Het is geen Hollandse ziekte. In deze krant schreef correspondent Guus Valk deze week over advocate Carmen Segarra , die bij de Amerikaanse Federal Reserve werd ontslagen omdat ze had ontdekt dat de toezichthouder verdacht weinig toezicht hield – op zakenbanken als Goldman Sachs bijvoorbeeld. Ook daar een te innige „vriendschappelijke cultuur”.

Kortom, het eigen milieu wordt belangrijker gevonden dan de publieke zaak – omdat er geen helder beeld bestaat wat dat precies moet zijn, die publieke zaak. Dus krijg je een bestuurlijke elite die enerzijds diep geïmpregneerd is door een ons-kent-ons-cultuur, waarbij de belangen van de markt steeds meer ook de belangen van de overheid zijn, en een politieke cultuur waarin steeds schriller wordt geweeklaagd over vervagend normbesef en graaigedrag. Men beklaagt het verlies van wat men zelf heeft ondermijnd.

Het schrijnendste voorbeeld? Nadat deze krant over de misstanden bij de NZa berichtte, liet minister Schippers accountantskantoor Flynth een rapport opstellen, dat er zo schaamteloos brutaal op gericht was de vlekken weg te poetsen, dat de Kamer een nieuw onderzoek eiste. Alles wordt nu overgedaan. Vroeger noemde je zoiets corruptie, nu heet het crisismanagement.

Dat de PvdA nu ineens een hoge borst opzet over onverbeterlijke bankiers, terwijl Dijsselbloem Gerrit Zalm zijn gang liet gaan, is symptomatisch voor de spagaat van onze bestuurlijke elite. Het maatschappelijke onbehagen wordt door dit soort retoriek niet weggenomen, het wordt er alleen maar groter door. En intussen eindigt ieder rapport over iedere jammerlijke verstrengeling van onze (semi-)overheid met de markt met een onmachtige oproep tot een cultuuromslag. Dat is een ander woord voor natte dweil.