Met alleen Beethoven zou ik al gelukkig zijn

Pianist Ronald Brautigam werd woensdag 60. Hij voltooide net de opnames van alle pianosonates van Beethoven en speelt in het Concertgebouw een serie verjaarsconcerten. „Stijlbewustzijn is ontzettend belangrijk.”

tekst Mischa Spel foto Andreas Terlaak

Nits

„Ik ben opgegroeid in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Mijn broer Rob en mijn ouders, nu 95 en 96, wonen er nog. Mijn muzikaliteit en interesse voor structuren en logisch denken komen van mijn vader. Hij speelde thuis piano en is nog steeds veel bezig met onbegrijpelijke wiskundige vraagstukken. Met mijn broer speelde ik vroeger in een oerversie van de Nits. Een symfonische rockband zoals Emerson, Lake & Palmer was mijn grote droom. Maar de Nits wilden een rockband zijn, en mijn belangstelling ging uit naar de symfonische rock. Dat het niks is geworden, vind ik misschien wel heel erg jammer. Al denk ik niet dat ik als rockmuzikant heel goed zou zijn geworden. Ik heb mijn synthesizer en hammondorgel aan mijn broer verkocht en ben nu passief liefhebber. In mijn spel hoor je mijn liefde voor rock nog wel terug, denk ik. Ik zoek grenzen op, en probeer daar overheen te gaan.”

Beethoven

„Toen ik twaalf was, mocht ik van mijn leraar Beethovens Sonate Pathétique ‘instuderen tot het kruisje’. Maar ik ging meteen verder. Ik hoop dat het waarheid is en geen verdichting, maar het schijnt dat ik bij de eerste vier maten van de Waldsteinsonate wist dat de volgende noot een bes moest zijn. Mijn manie voor Beethoven was er dus meteen. Nog steeds zou ik met alleen Beethoven volmaakt gelukkig zijn, al was mijn agenda de laatste tijd wel heel exclusief aan Beethoven gewijd. Eerst door de integrale cd-opname van alle sonates, nu met een najaar waarin ik óók bijna alleen Beethoven speel. Met de Kölner Akademie wil ik ook nog alle pianoconcerten van Beethoven op fortepiano opnemen. En zelfs dan ben ik er niet ‘klaar’ mee. Dat punt bereik je nooit. Als iemand erop zit te wachten, begin ik toch gewoon weer opnieuw?”

60

„Ik ben nu ouder dan de meeste grote componisten zijn geworden. Maar nadenken over leeftijd is weinig zinvol. Het is aantrekkelijker te functioneren als een dier en je van leeftijd totaal niet bewust te zijn. Waarschijnlijk wordt zo intensief spelen als ik nu doe over tien jaar wel lastiger. Maar ik ga daarop niet vooruitlopen. Ik ga juist steeds beter spelen. Laatst beluisterde ik een zeven jaar oude opname van mezelf in het Derde pianoconcert van Beethoven – dàt was slecht. Te enthousiast. Nu klinkt wat ik doe intelligenter. De kunst is die twee bij elkaar te brengen. Dat verveelt nooit. Er is vast geen mens die het hoort, maar voor mijzelf kan één accentverschuiving een heel stuk nieuwe betekenis geven.”

Fortepiano

„Toen mijn eigen interesse in oude instrumenten begon, was dat nog een beetje uitzonderlijk. Inmiddels is de fortepiano overal. Beethoven klinkt gewoon beter op een instrument uit zijn eigen tijd. Met name de vroege werken hebben de grotere scherpte en felheid van een fortepiano nodig. Bij cd-opnames ben ik daar puristisch in. Bij concerten mag je flexibeler zijn. Mozart speelde ook gewoon op het instrument dat hij ergens aantrof. Soms speel ik zelfs de Pathetique op Steinway. Maar ik mis dan wel een bepaalde energie. Vergelijk het met fotograferen op je telefoon, zo scherp als op een goede camera wordt het nooit. Een fortepiano heeft meer muzikale pixels.”

Glamour

„Glamourpianist ben ik nooit geweest en zal ik ook nooit zijn. Bij een recital op fortepiano in een klein kerkje voel ik me meer in m’n element dan in een grote zaal. Je moet doen waar je goed in bent en in mijn geval is dat géén Rachmaninov in het Concertgebouw. Ik heb dat met plezier gedaan, maar er zijn veel pianisten die het beter kunnen. Aan mijn techniek ligt dat niet: de fuga in Beethovens Hammerklavier-sonate is minstens zo moeilijk. Maar het is een ander soort virtuositeit. Ik speel ook geen parafrases van Liszt meer. Ik heb de leeftijd voor bezadigder muziek. Ik verheug me erop binnenkort weer Schumann, Mendelssohn en Debussy te gaan spelen. Schubert, ooit, maar niet integraal. En misschien Brahms. Ik werk veel samen met bouwer Paul Mcnulty. Hij bouwde aanvankelijk fortepiano’s uit Mozarts tijd, later ook kopieën van de grotere instrumenten van Conrad Graf, uit ca. 1820, en nu ook een Pleyel uit 1830. Mijn repertoire breidt zich hand in hand daarmee uit. Hopelijk bouwt Mcnulty nog eens een Brahms-vleugel. Ik denk dat Brahms enorm zou profiteren van een uitvoering die niet klinkt alsof je het toetsenbord moet kneden als een enorme bak deeg.”

Leraar

„Sinds vier jaar geef ik les in Basel. Anders dan ik verwachtte, blijk ik dat ontzettend leuk te vinden. Formuleren wat ik doe en waarom – daarvan leer ik zelf óók. Soms beschouw ik mijn concerten bijna als hinderlijke doorbrekingen van de lesperiodes en het nadenken over mijn leerlingen en hun ontwikkeling. Veel leerlingen spelen vanuit hun buik in plaats van uit hun hoofd. Dan klinken Brahms, Mozart en Stravinsky hetzelfde. Stijlbewustzijn is ontzettend belangrijk. Veel Russen zijn bijvoorbeeld gewend het geluid van de vleugel tot of over de grens van de mogelijkheden in te zetten. Maar zo’n ruige, romantische speelstijl doet in Beethoven pijn aan je oren. Dus moet je proberen het klankbeeld bij te schaven. Wat betekent sforzando? Soms niet „speel even zo hard mogelijk”, maar meer: breng een „energiemoment” aan in de muzikale lijn. De één maak je dat zo duidelijk, bij een ander moet je proberen die boodschap het brein binnen te smokkelen.”

Alleen

„Als ik lesgeef ben ik alleen, en op concertreizen natuurlijk ook. Er zijn maanden dat ik nauwelijks thuis ben, en dan soms weer een paar weken wel. Meestal gaat het in plukjes. Paar dagen thuis, paar dagen weg. Ik kan daar goed tegen en mijn vrouw gelukkig óók. Zij is opgegroeid op een boerderij, waar je elkaar in de oogsttijd überhaupt niet zag. Kinderen hebben we niet, wel drie leuke poezen.”

Podium

„Van podiumvrees heb ik nooit last gehad. Dat komt doordat ik me achter de componist verschuil. Ik zit daar niet voor mezelf, maar om zo goed mogelijk diens bedoelingen te communiceren. Vanaf het eerste akkoord vind ik dat heerlijk om te doen. Mijn zekerheid dat die muziek toch echt zo moet en niet anders, geeft me dat zelfvertrouwen. Maar zet me niet in mijn eentje neer in een druk restaurant, dan raak ik in paniek. Ik ben ook geen kamermuziekbeest, omdat ik niet zo houd van repeteren met anderen. Allemaal ego’s die hun zegje willen doen, nee.”

Schotland

„Mijn vrouw is Schotse maar mijn fascinatie voor Schotland is al ouder dan mijn huwelijk. Al sinds mijn zestiende ben ik daar bijna elke vakantie. Wat me boeit is wat componisten als Mendelssohn en Chopin er óók vonden. Die ongerepte, woeste leegte. Het contrast met Amsterdam kon niet groter zijn. ‘Nodig’ is een zwaar woord voor een vrijetijdsbesteding, maar ik merk altijd wel dat die twee weken niet spelen en niet luisteren in voor- en najaar me echt opladen. Ik doe er ook verder niks, je moet je niet voorstellen dat ik daar met een hoofd vol Beethoven rondwaar. Ik wandel, maak een praatje met mensen in het dorp, lees veel, bezoek af en toe een kasteeltje en als het lang en veel regent snap ik waarom daar ooit de malt whisky is uitgevonden. En daarna vind ik het dan heerlijk om weer aan het werk te gaan.”